Home

Gerechtshof Amsterdam, 14-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2716, 200.324.424

Gerechtshof Amsterdam, 14-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2716, 200.324.424

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2025
Datum publicatie
17 oktober 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:2716
Zaaknummer
200.324.424

Inhoudsindicatie

Intentie-overeenkomst. Geldleningsovereenkomsten. Uitgebleven bekrachtiging. Geen bekrachtigingsaansprakelijkheid op grond van artikel 2:203 lid 2 BW; geen bestuurdersaansprakelijkheid of onrechtmatige daad.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.324.424/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/324811/ HA ZA 22-99

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 oktober 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaats] , gemeente Edam-Volendam,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap [bedrijf 6] B.V.,

gevestigd te Woudenberg,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.T. Lonis te Hilversum.

Partijen worden hierna [appellant] en [bedrijf 6] genoemd.

1 De zaak in het kort

[bedrijf 6] B.V. heeft een krediet van in totaal € 75.000,00 verstrekt aan door [appellant] gecontroleerde vennootschappen. Partijen verschillen van mening over de vraag welke vennootschap aansprakelijk is voor terugbetaling van het krediet. [bedrijf 6] stelt dat het krediet is verstrekt aan de besloten vennootschap in oprichting [bedrijf 2] i.o. op grond van een met haar gesloten overeenkomst. [appellant] heeft deze overeenkomst namens [bedrijf 2] i.o. getekend. [bedrijf 2] i.o. is nooit opgericht en bekrachtiging van enige rechtshandeling door de vennootschap heeft nooit plaatsgevonden. [bedrijf 6] vordert betaling van het uitgeleende bedrag en rente van [appellant] , primair wegens de uitgebleven bekrachtiging op grond van artikel 2:203 lid 2 BW, subsidiair op grond van bestuurders- aansprakelijkheid/onrechtmatig handelen. De rechtbank heeft de primaire vordering van [bedrijf 6] B.V. toegewezen. Het hof oordeelt dat geen sprake is van aansprakelijkheid van [appellant] op grond van art. 2:203 lid 2 BW noch op grond van bestuurdersaan- sprakelijkheid of onrechtmatig handelen, en wijst de vordering van [bedrijf 6] alsnog af.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellant] is bij dagvaarding van 23 januari 2023 en herstelexploot van 9 maart 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis in verzet van de rechtbank Noord-Holland van 2 november 2022, onder bovenvermeld rol- en zaaknummer gewezen tussen [bedrijf 6] als eiseres en [appellant] als gedaagde (het bestreden vonnis).

2.2.

Bij tussenarrest van 11 april 2023 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bepaald, welke heeft plaatsgevonden op 29 juni 2023 en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

-

memorie van grieven tevens ‘memorie van eis in reconventie’, met producties;

-

memorie van antwoord tevens incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid in reconventie, met producties;

-

memorie van antwoord in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring.

2.3.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 januari 2025 laten toelichten. [appellant] door mr. R.E. Gerritsen, advocaat te Amsterdam, aan de hand van spreekaantekeningen, en [bedrijf 6] door mr. Lonis, voornoemd.

2.4.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

3.1.

De rechtbank heeft onder 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt van de beoordeling heeft genomen. Met grief 1 komt [appellant] tegen deze feitenvaststelling door de rechtbank op. Het hof zal met het in de toelichting op deze grief gestelde rekening houden voor zover in hoger beroep relevant, voldoende feitelijk onderbouwd en niet voldoende door [bedrijf 6] bestreden. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.

3.2.

[appellant] was via verschillende vennootschappen (waaronder de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] i.o. (hierna: [bedrijf 2] i.o.) onder meer actief in de import van luxe mode-artikelen vanuit China naar Nederland. [appellant] was de (indirect) enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 1] .

3.3.

In verband met uitbreidingsplannen en de beoogde oprichting van een of meer vennootschappen (waaronder [bedrijf 2] ) is [appellant] in het voorjaar van 2018 op zoek gegaan naar investeerders en is toen in contact gekomen met [bedrijf 6] en [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) via [naam 1] van [bedrijf 4] ( [naam 1] ). [naam 1] was de (voormalige) accountant van [bedrijf 6] en van andere ondernemingen van haar bestuurder, [naam 2] . [naam 1] was voorts werkzaam bij [bedrijf 5] Groep, van welke groep [bedrijf 3] onderdeel uitmaakt. [naam 3] was destijds bestuurder van [bedrijf 3] .

3.4.

[bedrijf 6] heeft in de periode mei tot en met juli 2018 een bedrag van in totaal € 74.970,00 in de vorm van geldleningen beschikbaar gesteld voor de door [appellant] en haar ondernemingen beoogde investeringen. Dit bedrag is door middel van een drietal (hierna verder beschreven) overboekingen overgemaakt aan [bedrijf 1] op een door deze bij ABN AMRO Bank aangehouden bankrekening.

3.5.

In een e-mail van 23 mei 2018 bericht [appellant] aan [bedrijf 6] onder meer:

“Once the IP transfer legal document is arranged, NFZ [ [bedrijf 1] – toevoeging hof] balance sheet will be completely transferred to [bedrijf 2] . This also means your lending to NFZ will be automatically transferred to [bedrijf 2] .”

3.6.

Op 28 mei 2018 heeft [bedrijf 6] een bedrag van € 29.970,00 (€ 30.000,00 minus € 30,00 aan bankkosten) aan [bedrijf 1] overgemaakt op de onder 3.4 bedoelde bankrekening.

3.7.

Op 29 mei 2018 hebben [bedrijf 6] als kredietverstrekker en [bedrijf 1] als kredietnemer een kredietovereenkomst gesloten, op grond waarvan [bedrijf 6] een lening van € 30.000,00 aan [bedrijf 1] verstrekte (hierna: kredietovereenkomst I). In de considerans van kredietovereenkomst I, één na laatste bulletpoint, staat: ‘De insteek is dat het intellectueel eigendom via een activa-passiva transactie overgedragen wordt van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] b.v.’.

3.8.

Bij akte van 29 mei 2018 heeft [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] tot zekerheid van dit krediet bepaalde activa verpand.

3.9.

Op 27 juni 2018 heeft [bedrijf 6] een bedrag van € 10.000,00 aan [bedrijf 1] overgemaakt op de onder 3.4 bedoelde bankrekening.

3.10.

Op 24 juli 2018 sloten [bedrijf 6] en [bedrijf 3] als uitleners enerzijds en [bedrijf 2] i.o. als lener anderzijds een zogeheten ‘intentieovereenkomst converteerbare geldleningsovereenkomst’ (hierna: de intentie-overeenkomst). [appellant] heeft de intentie-overeenkomst namens [bedrijf 2] i.o. ondertekend.

3.11.

In de intentie-overeenkomst is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“(...)DEZE INTENTIEOVEREENKOMST CONVERTEERBARE GELDLENINGSOVEREENKOMST IS OVEREENGEKOMEN OP ... JULI 2018 TUSSEN:

1. [bedrijf 6] B.V. (...)

2. [bedrijf 3] (...) hierna: de Uitleners (...)

3. [bedrijf 2] i.o. (...) hierna: de Lener (...)

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. Lener heeft aangegeven een converteerbare geldlening te willen verkrijgen om het opstarten van [bedrijf 2] i.o. en haar dochtermaatschappij [bedrijf 2] . i.o. (KvK nr. 71735933) te bekostigen (het “Doel”);

B. De Uitleners zich bereid hebben verklaard een dergelijke converteerbare geldlening te verstrekken;

C. Lener naar aanleiding hiervan een bepaald geldbedrag voor een bepaalde looptijd en tegen een bepaalde rente zal lenen;

(...)

F. Partijen gelet op het voorgaande de afspraken schriftelijk wensen vast te leggen in deze Intentieovereenkomst.

VOORWAARDEN UITLENER

A. Uitleners zullen in een eerste investeringsronde € 150.000 lenen, waarvan reeds € 40.000,00 is gestort door [bedrijf 6] B.V. Per saldo resteert een te storten bedrag van € 35.000 door [bedrijf 6] B.V. en € 75.000 door [bedrijf 3]

(...)

G. (...) Uitleners willen dat alles onder [bedrijf 2] i.o. en [bedrijf 2] i.o. wordt opgebouwd (...); (...)

H. Lener draagt zorg voor de waardering en de overdracht van het Intellectueel Eigendom (E-Shipping portal) van haar eigen werkmaatschappij [bedrijf 1] (...) naar [bedrijf 2] i.o. Het Intellectueel Eigendom zal zolang de lening niet is geconverteerd dienen als onderpand van de converteerbare lening.

(...)

L. Uitleners zullen het te lenen bedrag overmaken aan [bedrijf 1] op haar bankrekeningnummer [nummer] . Bij het oprichten van [bedrijf 2] i.o. en [bedrijf 2] . i.o. zal de lening gezamenlijk met het intellectueel eigendom (IE-shipping portal) worden ingebracht en gestort op aandelen.

(...).

3.12.

Op 26 juli 2018 sloten [bedrijf 6] , [bedrijf 3] als kredietverstrekkers enerzijds en [bedrijf 1] (vertegenwoordigd door [appellant] ) als kredietnemer anderzijds een tweede kredietovereen- komst (hierna: kredietovereenkomst II; kredietovereenkomst I en kredietovereenkomst II hierna gezamenlijk: de kredietovereenkomsten). In kredietovereenkomst II verbinden [bedrijf 6] en [bedrijf 3] zich om aan [bedrijf 1] gezamenlijk een krediet van in totaal € 150.000,00 te verstrekken, waarvan € 75.000,00 door [bedrijf 6] en € 75.000,00 door [bedrijf 3] . [bedrijf 1] verplicht zich tot zekerheid van het krediet een pandrecht te vestigen ten gunste van [bedrijf 6] en [bedrijf 3] op bepaalde activa. In de considerans van kredietover- eenkomst II, op een na laatste bulletpoint staat: De insteek is dat het intellectueel eigendom via een activa-passiva transactie overgedragen wordt van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] ’

3.13.

Bij akte van pandrecht van 26 juli 2018 heeft [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] en [bedrijf 3] als pandnemers activa van de onder punt 1 van de akte genoemde ondernemingen verpand, te weten: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] i.o. en [bedrijf 2] . i.o. [appellant] heeft de akte namens [bedrijf 1] ondertekend.

3.14.

Tot zekerheid voor het krediet verpandde [bedrijf 1] als pandgever bij akte van pandrecht van eveneens 26 juli 2018 aan [bedrijf 6] als pandnemer bepaalde activa. [appellant] heeft ook deze akte namens [bedrijf 1] ondertekend.

3.15.

Op 27 juli 2018 maakte [bedrijf 6] een bedrag van € 35.000,00 aan [bedrijf 1] over op de sub 3.4 bedoelde bankrekening. Het bankafschrift van de bankrekening van [bedrijf 1]

bij deze overboeking vermeldt als omschrijving ‘Last instalment of total loan 75 k, in accordance with agreement 26-7-2018’.

3.16.

[bedrijf 2] i.o. is niet opgericht. Op 31 oktober 2018 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [bedrijf 2] i.o. is opgeheven met ingang van 25 oktober 2018.

3.17.

[bedrijf 1] is op 5 februari 2019 in staat van faillissement verklaard.

3.18.

Bij e-mail van 25 maart 2019 heeft de toenmalige advocaat van [bedrijf 6] en [bedrijf 3] aan de curator van [bedrijf 1] (onder meer) het volgende medegedeeld:

“Cliënten hebben uit hoofde van een geldleningsovereenkomst d.d. 26 juli 2018 opeisbaar een bedrag ad € 150.000 (p.m.) te vorderen van [bedrijf 1] Ter meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze geldlening hebben cliënten een pandrecht verkregen op inventaris, voorraden, vorderingen en intellectuele eigendomsrechten. (...)”

3.19.

Op 6 oktober 2021 heeft [bedrijf 6] conservatoir beslag laten leggen op de onverdeelde helft van een onroerende zaak te [plaats] van [appellant] (hierna: de woning) en op de door [appellant] gehouden aandelen in [bedrijf 7]

4 Eerste aanleg

5 Beoordeling

6 Beslissing