Home

Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2912, 200.352.624/01 OK

Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2912, 200.352.624/01 OK

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 oktober 2025
Datum publicatie
17 november 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:2912
Zaaknummer
200.352.624/01 OK

Inhoudsindicatie

Ondernemingskamer; verzoeken tot uitstoting over en weer; een van beide verzoeken toegewezen; voorlopige voorzieningen; samenhangende vorderingen; aanhouding benoeming deskundige.

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.352.624/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 6 oktober 2025

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[aandeelhouder 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. M. Mussche, kantoorhoudende te Utrecht,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[aandeelhouder 2] ,

gevestigd te [plaats] ,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. M.B. Bollen, kantoorhoudende te Almelo,

en tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [plaats] ,

BELANGHEBBENDE,

niet verschenen.

Verzoekster, verweerster en belanghebbende worden hierna respectievelijk aangeduid als [aandeelhouder 1] , [aandeelhouder 2] en [de vennootschap] .

1 De zaak in het kort

1.1

[aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] houden ieder 50% van de aandelen in [de vennootschap] en vormen samen het bestuur van [de vennootschap] . De verhoudingen tussen hen zijn ernstig en duurzaam verstoord. Zij verwijten elkaar over en weer onder meer dat zij buiten de ander om via onzakelijke transacties vermogen onttrekken aan de dochtervennootschappen van [de vennootschap] ten behoeve van zichzelf, althans een aan henzelf gelieerde partij. [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] doen in deze procedure ieder een verzoek tot uitstoting van de ander als aandeelhouder en, bij wege van voorlopige voorziening, tot schorsing van de ander als bestuurder van [de vennootschap] . [aandeelhouder 1] verzoekt de Ondernemingskamer daarnaast ook andere voorlopige voorzieningen te treffen en vordert tevens schadevergoeding van [aandeelhouder 2] wegens de (gestelde) onttrekkingen.

2 Het verloop van het geding

2.1

[aandeelhouder 1] heeft bij verzoekschrift van 21 maart 2025, na wijziging van eis op 24 juni 2025, de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,

1. te bevelen dat [aandeelhouder 2] haar aandelen in [de vennootschap] overdraagt aan [aandeelhouder 1] , tegen betaling van een door de Ondernemingskamer te bepalen koopprijs, met benoeming van een deskundige die over de prijs van de aandelen een schriftelijk bericht uitbrengt;

2. als voorlopige voorzieningen voor de duur van de procedure

a. [aandeelhouder 2] te schorsen als bestuurder van [de vennootschap] ;

b. [aandeelhouder 2] te verbieden [de vennootschap] of haar dochterondernemingen onbevoegd te (doen) vertegenwoordigen, daaronder begrepen het verrichten van enige betaling namens [de vennootschap] of haar dochterondernemingen, op straffe van verbeurte van dwangsommen;

c. te bepalen dat [aandeelhouder 1] zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van [de vennootschap] is;

d. [aandeelhouder 2] te verbieden om [aandeelhouder 1] de onbeperkte en onvoorwaardelijke toegang tot (delen van) het bedrijfsterrein en de bedrijfsmiddelen van [de vennootschap] en haar dochterondernemingen, alsmede tot de volledige fysieke en digitale administratie van [de vennootschap] en haar dochterondernemingen, te ontnemen, beperken of verhinderen op straffe van verbeurte van dwangsommen;

e. [aandeelhouder 2] te gebieden om het cameratoezicht op het bedrijfsterrein per direct te staken en de geplaatste camera’s te verwijderen, op straffe van verbeurte van dwangsommen;

3. als samenhangende vorderingen

a. te verklaren voor recht dat [aandeelhouder 2] gehouden is een schadevergoeding te betalen aan [aandeelhouder 1] ter hoogte van € 396.905,73, te vermeerderen met nadere onttrekkingen vanaf maart 2025 en met rente;

b. te verklaren voor recht dat het [aandeelhouder 1] is toegestaan de schadevergoedingsvordering te verrekenen met de koopprijs voor de aandelenoverdracht;

4. [aandeelhouder 2] te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2

[aandeelhouder 2] heeft bij verweerschrift van 5 juni 2025 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek en de samenhangende vorderingen van [aandeelhouder 1] af te wijzen dan wel de samenhangende vorderingen te verwijzen naar de bevoegde rechter. Zij heeft ook zelf een verzoek gedaan. Zij heeft de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,

1. te bevelen dat [aandeelhouder 1] haar aandelen in [de vennootschap] overdraagt aan [aandeelhouder 2] , tegen betaling van een door de Ondernemingskamer te bepalen koopprijs, met benoeming van een deskundige die over de prijs van de aandelen een schriftelijk bericht uitbrengt;

2. als voorlopige voorziening voor de duur van de procedure [aandeelhouder 1] te schorsen als bestuurder van [de vennootschap] ;

3. [aandeelhouder 1] te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.3

[aandeelhouder 1] heeft bij verweerschrift van 24 juni 2025 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [aandeelhouder 2] af te wijzen en [aandeelhouder 2] te veroordelen in de kosten van de procedure. Bij dit verweerschrift heeft [aandeelhouder 1] tevens haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen gewijzigd in de zin als hiervoor in 2.1 vermeld.

2.4

De verzoeken zijn behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 3 juli 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. [aandeelhouder 2] heeft van tevoren nadere producties toegestuurd en die in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

2.5

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de Ondernemingskamer de zaak aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid van een minnelijke regeling te onderzoeken. Op 17 juli 2025 hebben de advocaten bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en de Ondernemingskamer verzocht een beschikking te geven.

3 Feiten

Algemeen en betrokken partijen

3.1

[aandeelhouder 1] is de persoonlijke holding van [A] (hierna: [A]) en [aandeelhouder 2] is de persoonlijke holding van [B] (hierna: [B]). De echtgenote van [B] is een nicht van [A] .

3.2

Sinds 2004 houden [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] ieder 50% van de aandelen in [de vennootschap] en vormen zij gezamenlijk het bestuur van [de vennootschap] .

3.3

[de vennootschap] heeft twee dochtervennootschappen, waarvan [de vennootschap] enig aandeelhouder en enig bestuurder is: [het bouwbedrijf] (hierna: [het bouwbedrijf]) en [de houtdrogerij] (hierna: Houtdrogerij). [het bouwbedrijf] houdt zich bezig met de bouw van woningen en bedrijfshallen, met name agrarische stallen. Houtdrogerij houdt zich bezig met het verwerken (verzagen) en drogen van hout voor woning- en interieurbouw en de technische borstelindustrie. Ook produceert Houtdrogerij halffabricaten voor houten handborstels.

3.4

Vanaf 2004 zijn [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] ingevolge de statuten van [de vennootschap] slechts gezamenlijk bevoegd tot vertegenwoordiging van [de vennootschap] , en daarmee ook van de beide dochtervennootschappen. In de praktijk is daar niet naar gehandeld. [B] heeft sinds 2004 de dagelijkse leiding over [het bouwbedrijf] gehad en [A] de dagelijkse leiding over Houtdrogerij. Beiden hebben zij sindsdien veelvuldig zelfstandig en zonder overleg met de ander in naam van ‘hun’ dochtervennootschap overeenkomsten gesloten. Dit geldt bijvoorbeeld voor alle arbeidsarbeidsovereenkomsten tussen de dochtervennootschappen en hun werknemers en voor de meeste overeenkomsten met leveranciers en afnemers.

3.5

[het bouwbedrijf] heeft zeven werknemers, onder wie de drie zonen van [B] . Houtdrogerij heeft twee werknemers.

3.6

[het bouwbedrijf] en Houtdrogerij zijn gevestigd op hetzelfde bedrijfsterrein. [de vennootschap] huurt dat terrein van [vennootschap Beheer] B.V. (hierna: [vennootschap Beheer]) voor ruim € 5.000 per maand, exclusief omzetbelasting, en stelt het ter beschikking aan [het bouwbedrijf] en Houtdrogerij, die krachtens mondelinge afspraak ieder de helft van de (aan [vennootschap Beheer] verschuldigde) huurprijs aan [de vennootschap] moeten vergoeden. Het bestuur van [vennootschap Beheer] wordt gevormd door [aandeelhouder 1] en [B] . De aandelen in [vennootschap Beheer] worden voor 50% gehouden door [A] en voor 50% door de erven van de moeder van de echtgenote van [B] (onder wie de echtgenote van [B] ).

3.7

Een van de zonen van [B] , [zoon B] (hierna: [zoon B]), is – behalve werknemer van [het bouwbedrijf] – al jaren enig aandeelhouder en enig bestuurder van Aannemersbedrijf [B] B.V. (hierna: Aannemersbedrijf). Aannemersbedrijf houdt zich bezig met in- en verkoop van bouwmaterialen en de verhuur van bouwmaterialen. Zij is gevestigd op het woonadres van [zoon B] . Aannemersbedrijf heeft [het bouwbedrijf] als enige klant en ontvangt dus uitsluitend inkomsten van [het bouwbedrijf] .

3.8

[aandeelhouder 1] heeft samen met (een vennootschap van) [zoon A] , de zoon van [A] , op 15 juni 2022 Giva B.V. (hierna: Giva) opgericht. [aandeelhouder 1] hield tot 10 april 2024 50% van de aandelen in Giva. Sindsdien is (de vennootschap van) [zoon A] enig aandeelhouder en enig bestuurder van Giva. Giva is vanaf haar oprichting op het bedrijfsterrein gevestigd waar ook [het bouwbedrijf] en Houtdrogerij zijn gevestigd. Giva monteert onder andere houten kozijnen en deuren voor prefab-doeleinden.

3.9

Vanaf begin 2024 hebben partijen getracht tot overeenstemming te komen over een ontvlechting van hun belangen. Zij zijn het daarover niet eens geworden.

Gemaakte afspraken

3.10

Op 1 januari 2004, bij de oprichting van [de vennootschap] , hebben [aandeelhouder 2] , [aandeelhouder 1] , [A] en [B] een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten ten behoeve van de samenwerking in [de vennootschap] .

3.11

In artikel 2 van de Samenwerkingsovereenkomst is bepaald dat [aandeelhouder 1] , [aandeelhouder 2] en hun aandeelhouders niet in concurrentie mogen treden met [de vennootschap] en haar dochtervennootschappen.

3.12

In artikel 4 van de Samenwerkingsovereenkomst is bepaald – geparafraseerd en voor zover van belang – dat [aandeelhouder 1] , [aandeelhouder 2] en hun aandeelhouders niet zonder toestemming van de andere partijen bij de Samenwerkingsovereenkomst betrokken mogen raken (al dan niet rechtstreeks) bij een aanverwante of soortgelijke onderneming als die van [de vennootschap] en haar dochtervennootschappen, waaronder begrepen het oprichten van een dergelijke onderneming, daarin deelnemen of daarover directie voeren. Bij overtreding van dat voorschrift is de niet in overtreding zijnde aandeelhouder bevoegd, doch niet verplicht, om de aandelen van de overtredende aandeelhouder in [de vennootschap] over te nemen, mits hij dit – op straffe van verval van het overnamerecht – binnen drie maanden nadat de overtreding te zijner kennis is gekomen schriftelijk aan de wederpartij meedeelt.

3.13

In artikel 8 van de Samenwerkingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“Alle geschillen welke naar de mening van één of meer van partijen omtrent de uitleg van het in deze overeenkomst bepaalde ontstaan zullen voor partijen bindend worden beslecht door drie adviseurs te benoemen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6”.

3.14

Eveneens op 1 januari 2004 hebben [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1] identieke managementovereenkomsten gesloten met [de vennootschap] , op grond waarvan zij ieder recht hebben op een managementvergoeding van € 4.500 per maand (exclusief btw).

3.15

Tijdens een overleg tussen (onder anderen) [B] en [A] op 16 juni 2021 is op verzoek van [A] de afspraak gemaakt dat op voorhand wordt overlegd over investeringen boven € 5.000. Deze afspraak is opgenomen in de notulen van deze bespreking en is herbevestigd tijdens een overleg op 27 mei 2024. In het verslag van deze laatste bespreking (in een e-mail van dezelfde datum) staat vermeld:

“Voor alle investeringen van 5k en meer dient er goedkeuring van beide bestuurders te zijn. Dit geldt voor investeringen en niet-omzet gerelateerde uitgaven. Dit is al vele jaren een issue en wordt door beide partijen met voeten getreden. Dit moet veranderen.”

Financiële situatie en schulden van [de vennootschap] en dochtervennootschappen

3.16

[het bouwbedrijf] is de laatste jaren winstgevend geweest, met een resultaat na belastingen van circa € 268.000 in 2021, € 265.000 in 2022, € 88.000 in 2023 (volgens conceptcijfers) en € 53.000 in 2024 (conceptcijfers). Houtdrogerij is de laatste jaren verliesgevend geweest met een verlies (na belastingen) van ongeveer € 68.000 in 2021, € 59.000 in 2022, € 102.000 in 2023 (conceptcijfers). Over 2024 heeft Houtdrogerij volgens conceptcijfers € 54.843 winst behaald, maar dat is zonder de doorbelasting van de management fee van [aandeelhouder 1] van € 54.000 per jaar (exclusief btw).

3.17

[het bouwbedrijf] en Houtdrogerij hebben ieder een achterstand met het betalen van de gebruiksvergoeding voor het bedrijfsterrein aan [de vennootschap] : per juni 2025 was de achterstand van [het bouwbedrijf] twee maanden en van Houtdrogerij tien maanden.

3.18

[de vennootschap] kan niet aan al haar opeisbare schulden voldoen. Zij heeft een huurschuld aan [vennootschap Beheer] van circa dertien maandtermijnen. Ook heeft zij schulden aan [aandeelhouder 2] en [aandeelhouder 1] vanwege achterstallige management fees: per 1 februari 2025 had [aandeelhouder 2] uit dien hoofde € 116.162,08 (exclusief btw) van [de vennootschap] te vorderen en [aandeelhouder 1] € 256.500 (exclusief btw).

Transacties tussen Aannemersbedrijf en [het bouwbedrijf]

3.19

In februari 2018 heeft Aannemersbedrijf een tweedehands vrachtwagen gekocht (hierna: de oude vrachtwagen), die zij vanaf de aankoop tot in 2022 heeft verhuurd aan [het bouwbedrijf] . De koopprijs van € 10.285 heeft Aannemersbedrijf in zijn geheel van [het bouwbedrijf] geleend in rekening-courant. Over deze lening – die per heden nog niet is afgelost ondanks verzoeken daartoe van [A] – heeft [het bouwbedrijf] geen rente vergoed gekregen (of bedongen). [het bouwbedrijf] heeft in totaal € 16.000 (exclusief btw) aan huur voor de oude vrachtwagen betaald aan Aannemersbedrijf. Op 29 oktober 2024 heeft het Aannemersbedrijf de oude vrachtwagen verkocht voor € 5.100 (exclusief btw).

3.20

In juli 2020 heeft Aannemersbedrijf van een derde partij een mobiele torenkraan gekocht voor € 200.000 (exclusief btw), die zij van aanvang af heeft verhuurd aan [het bouwbedrijf] . Aannemersbedrijf heeft de kraan gefinancierd met een lening waarvoor de kraan zelf het onderpand was (financial lease) en waarvan zij de laatste termijn in november 2023 heeft voldaan. De huurovereenkomst tussen Aannemersbedrijf en [het bouwbedrijf] geldt voor onbepaalde tijd en kent een opzegtermijn van 48 maanden. Volgens de huurovereenkomst is Aannemersbedrijf niet aansprakelijk voor gebreken aan de kraan, komen onderhouds-, herstel- en verzekeringskosten voor rekening van [het bouwbedrijf] , evenals belastingen, heffingen en boetes indien de kraan niet zou voldoen aan wettelijke voorschriften. In totaal heeft [het bouwbedrijf] van juni 2020 tot februari 2025 € 248.779,18 aan Aannemersbedrijf betaald aan huur voor de torenkraan. De huur loopt nog altijd door. Op de algemene vergadering van [het bouwbedrijf] van 11 juni 2024 heeft [A] zijn ongenoegen over de huurconstructie van de torenkraan kenbaar gemaakt.

3.21

Aannemersbedrijf heeft in november 2022 een tweedehands vrachtwagen gekocht voor € 15.000 (hierna: de nieuwe vrachtwagen) en die laten renoveren en vervolgens onderhouden op kosten van [het bouwbedrijf] ; [het bouwbedrijf] heeft de daarvoor benodigde materialen tot een bedrag van ten minste € 15.000 voor haar rekening genomen en heeft ook geen vergoeding ontvangen voor de aan de renovatie en het onderhoud bestede uren van een van de zoons van [B] in dienst bij [het bouwbedrijf] .

3.22

[het bouwbedrijf] heeft vanaf 2020 tot in 2024 voor een totaalbedrag van ruim € 25.000 aan bouw- en klusmaterialen ingekocht ten behoeve van de privéwoningen van de zoons van [B] . [het bouwbedrijf] heeft daarvoor geen facturen aan de zoons gestuurd en in de jaarrekeningen van [het bouwbedrijf] zijn daarvoor ook geen vorderingen op de zoons van [B] opgenomen.

3.23

In 2024 is de inkoop van betonelementen en materiaal voor dakelementen voor verschillende bouwprojecten van [het bouwbedrijf] via Aannemersbedrijf gelopen in die zin dat Aannemersbedrijf deze inkocht en met een opslag doorverkocht aan [het bouwbedrijf] . De levering vond wel rechtstreeks aan [het bouwbedrijf] plaats. Zo heeft [C Bouwmaterialen] op 6 en 7 mei 2024 offertes voor materialen verstuurd aan [het bouwbedrijf] . Op 24 juni 2024 heeft [C Bouwmaterialen] orderbevestigingen voor de materialen die in deze offertes waren opgenomen verstuurd naar Aannemersbedrijf. Eveneens op 24 juni 2024 heeft [C Bouwmaterialen] in een e-mailbericht aan [zoon B] geschreven dat hij “de bevestigingen” op de “nieuwe BV” aan [zoon B] heeft gestuurd. De totale opslagen die Aannemersbedrijf voor de levering van bouwmaterialen aan [het bouwbedrijf] in rekening heeft gebracht in 2024 belopen ten minste € 65.000.

3.24

[B] is de vermelde transacties namens [het bouwbedrijf] met Aannemersbedrijf aangegaan zonder deze vooraf met [A] af te stemmen.

Verkopen van bouwmaterialen door [het bouwbedrijf] ‘onder de toonbank’

3.25

[het bouwbedrijf] heeft in de jaren 2021 tot en met 2023 bouwmaterialen verkocht waarvan zij de opbrengst niet in de boekhouding en de jaarrekeningen over die jaren heeft verantwoord. De facturen voor de inkoop van deze materialen zijn wel in de boekhouding opgenomen.

Giva

3.26

In 2023 was de omzet van Giva € 81.000 en de winst € 8.000. In 2024 heeft Giva een omzet van € 261.000 gerealiseerd.

3.27

Op bol.com zijn in 2023 handstoffers aangeboden met een merkplaatje “Giva” erop.

3.28

Houtdrogerij heeft een deel van het door [de vennootschap] aan haar ter beschikking gestelde bedrijfsterrein in gebruik gegeven aan Giva. Ook heeft Giva gebruik gemaakt van een vrachtwagen die aan [de vennootschap] toebehoort. Voor het gebruik van (onder meer) een stuk van het perceel, de vrachtwagen en stroom heeft Houtdrogerij vanaf 1 januari 2024 facturen gestuurd aan Giva. Tot 1 augustus 2024 heeft Houtdrogerij daarvoor een gebruiksvergoeding van € 750 (exclusief btw) per maand in rekening gebracht, daarna tot 1 januari 2025 € 1.600 (exclusief btw) per maand en vanaf 2025 € 2.050 (exclusief btw) per maand. [A] heeft in deze periode ook werkzaamheden voor Giva verricht. Houtdrogerij heeft vanaf augustus 2024 facturen aan Giva gestuurd waarin zij werkzaamheden van [A] in rekening brengt tegen een tarief van € 45 per uur.

Vervanging slot kantoor en plaatsing camera’s

3.29

In februari 2025 heeft [B] het slot van een deel van de kantoorruimte op het bedrijfsterrein (laten) vervangen. Het gaat om de kantoorruimte die in de praktijk door [het bouwbedrijf] wordt gebruikt en waar de fysieke administratie van [het bouwbedrijf] wordt bewaard. [A] heeft [B] gevraagd waarom het slot is vervangen en hem verzocht om een sleutel van het nieuwe slot, onder meer bij e-mail van 4 maart 2025. [B] heeft op deze verzoeken niet gereageerd en ook geen sleutel aan [A] gegeven.

3.30

In april 2025 heeft [B] diverse camera’s aangesloten op het bedrijfsterrein. De camerabeelden zijn niet toegankelijk voor [A] .

4 De gronden van de beslissing

5 De beslissing