Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3177, 200.336.977/01
Gerechtshof Amsterdam, 25-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3177, 200.336.977/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 25 november 2025
- Datum publicatie
- 5 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3177
- Zaaknummer
- 200.336.977/01
Inhoudsindicatie
- zakelijke borgtocht; beperking inroepen verweermiddelen hoofdschuldenaar niet onredelijk bezwarend; uitoefening borgtocht niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.336.977/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/731987 / HA ZA 23-347
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 25 november 2025
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [woonplaats] , [woonplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard te Nieuw-Vennep,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.H.C. Jans te Eindhoven.
Partijen worden hierna [appellant] en Rabobank genoemd.
1 De zaak in het kort
Rabobank spreekt [appellant] aan als borg voor een krediet dat is verstrekt aan de inmiddels failliete vennootschap van hem en zijn broer. Volgens [appellant] zag de borgtocht niet op het krediet dat pas later is verstrekt, en heeft hij met Rabobank later afgesproken dat hij niet zou worden aangesproken onder de borgtocht. Rabobank had volgens hem in elk geval eerst andere zekerheden, met name verpande vorderingen, moeten uitwinnen voordat ze hem aansprak onder de borgtocht. De rechtbank heeft de vordering van Rabobank toegewezen. Het hof bekrachtigt dit vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 15 december 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 27 september 2023 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Rabobank als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Rabobank heeft een anticipatie-exploot uitgebracht.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 t/m 3
- memorie van antwoord, met producties 13 t/m 16.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 12 september 2025, aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen, laten toelichten. [appellant] door mr. Spanjaard, voornoemd, en Rabobank door mr. F.J. Laagland, advocaat te Eindhoven. Ter zitting heeft [appellant] de vooraf toegezonden producties 4 en 5 in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Tegen deze vaststelling is in hoger beroep geen grief gericht, zodat ook het hof bij de beoordeling van deze feiten uitgaat. Deze feiten, voor zover relevant in hoger beroep, en aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn, luiden als volgt:
[appellant] was, samen met zijn broer [betrokkene 1] , (indirect) bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).
Bij kredietovereenkomst van 6 juli 2009 heeft (de rechtsvoorganger van) Rabobank aan [bedrijf 2] en [bedrijf 2] een krediet verstrekt in rekening-courant van € 400.000. In de kredietovereenkomst van 6 juli 2009 is onder meer het volgende bepaald:
“Te stellen zekerheden
Het financieringsvoorstel is mede gebaseerd op het stellen van de hierna vermelde zekerheden voor de bank (...). Deze zekerheden gelden voor al hetgeen de debiteur/de kredietnemer nu of in de toekomst aan de bank schuldig is en/of zal zijn uit hoofde van:
- verstrekte en/of te verstrekken geldleningen
- verleende en/of te verlenen kredieten
(...)
Te vestigen pandrecht
als 1e op:
- alle huidige en toekomstige rechten/vorderingen al dan niet voortvloeiende uit huidige en
toekomstige rechtsverhoudingen uit hoofde van het bedrijf of beroep van de debiteur, met alle aan deze rechten/vorderingen verbonden rechten en zekerheden (...)
- alle huidige en toekomstige transportmiddelen van [ [bedrijf 2] ] en [ [bedrijf 2] ]
- alle huidige en toekomstige inventaris van [ [bedrijf 2] ] en [ [bedrijf 2] ]
(...)
Er zal een borgtocht voor een bedrag van EUR 200.000,00 worden afgegeven door:
[betrokkene 2] (...) en geldt voor alle huidige en toekomstige verplichtingen van de debiteur.”
[appellant] heeft zich bij overeenkomst van 8 juli 2009 jegens Rabobank borg gesteld tot een bedrag van € 200.000 (hierna: de borgtocht). In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“De borg verbindt zich bij deze – hoofdelijk – jegens de bank als borg voor de debiteur tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van de debiteur te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van:
(...)
- verstrekte en/of te verstrekken geldleningen;
- verleende en/of te verlenen kredieten;
(...)
De borg verklaart deze borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de debiteur.”
Op de borgtocht zijn van toepassing verklaard de Algemene voorwaarden voor borgtocht van de Rabobank 2008 (hierna: de algemene borgtochtvoorwaarden). In artikel 3 van de algemene borgtochtvoorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“(...)
1. Door de zakelijke borg is uitdrukkelijk afstand gedaan van:
(...)
b het recht om alle rechten en verweermiddelen die de debiteur jegens de bank heeft, in te roepen.
(...)
6 De zakelijke borg kan niet van de bank verlangen dat eerst (overige) zekerheden gesteld voor de verplichtingen van de debiteur worden uitgewonnen voordat de bank de borg kan aanspreken.”
[bedrijf 2] heeft in 2011 een werk aangenomen in de gemeente Rijssen-Holten, in opdracht van (hoofd)aannemer Reef Infra B.V. (hierna: Reef Infra).
Rabobank, [bedrijf 2] en [bedrijf 2] zijn op 13 februari 2012 een tijdelijke kredietverhoging overeengekomen tot een bedrag van € 484.000.
Rabobank heeft op 13 juli 2012 met [bedrijf 2] en [bedrijf 2] een (nieuwe) kredietovereenkomst gesloten, waarbij het eerder verstrekte krediet is afgelost en een (nieuw) krediet is verstrekt tot een bedrag van € 650.000. In deze kredietovereenkomst is (onder meer) het volgende vermeld:
“Het kredietmaximum wordt eenmalig met EUR 200.000,00 (en het stamkrediet met EUR 150.000,00) ingeperkt per 31-03-2013 of zoveel eerder als de vorderingen vanuit het meerwerk door Reef Infra BV zijn betaald. Indien deze vorderingen niet worden ontvangen, wordt het kredietmaximum gedurende 8 kwartalen (voor het eerst per 31 maart 2013 en voor het laatst per 31 december 2014) met EUR 25.000,00 ingeperkt.
Tevens wordt dan het stamkrediet ad EUR 300.000,00 gedurende 6 kwartalen (voor het eerst per 31 maart 2013 en voor het laatst per 30 juni 2014) met EUR 25.000,00 ingeperkt.
(...)
Zekerheden
De bestaande zekerheden blijven gehandhaafd en strekken ook tot zekerheid voor de aangeboden financiering(en).”
Op 21 mei 2013 is [bedrijf 2] op eigen aangifte failliet verklaard. Op dat moment is het gehele krediet opgeëist door Rabobank bij [bedrijf 2] op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden. De schuld van [bedrijf 2] aan Rabobank uit hoofde van de kredietovereenkomst van 13 juli 2012 bedroeg ten tijde van het faillissement van [bedrijf 2] € 598.848,76. Rabobank heeft deze vordering ingediend bij de curator in het faillissement van [bedrijf 2] .
Bij brief van 23 mei 2013 heeft Rabobank [appellant] als borg geïnformeerd over het faillissement en hem gewezen op de door hem gestelde borgtocht.
[appellant] heeft in mei 2013 aan de curator en Rabobank een debiteurenlijst verstrekt, waarin is opgenomen dat [bedrijf 2] nog een vordering heeft van € 1.078.801,26 op Reef Infra.
Met toestemming van de curator zijn de aan Rabobank verpande vorderingen van [bedrijf 2] op derden, waaronder die op Reef Infra, overgedragen aan [bedrijf 2] bij akte van cessie van 24 januari 2015. [bedrijf 2] heeft de heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) van Buro Nefertem opdracht gegeven om de vordering op Reef Infra te incasseren.
Op 20 augustus 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Rabobank en [appellant] over de inning van de vorderingen op derden. Daarover heeft Rabobank een brief van 13 oktober 2015 gestuurd. Daarin is (onder meer) het volgende vermeld:
“U heeft nog steeds de verwachting dat de volledige vordering van de failliet uit de incasso van de debiteuren kan worden voldaan. (...)
U heeft de bank 1 jaar de tijd gevraagd voor de inning van de debiteuren. (...) de bank [gaat] onder de volgende voorwaarden akkoord met de termijn van 1 jaar, tot 1 oktober 2016, voor de incasso van de debiteuren:
(...)
- De bank behoudt zich het recht voor de borgen alsnog tussentijds aan te spreken als er
naar het oordeel van de bank onvoldoende voortgang wordt geboekt bij het
incassotraject.
- De kosten van de heer [betrokkene 3] en uw kosten voor de incasso van de debiteuren kunnen bij
voorrang op 30% van de geïncasseerde bedragen verhaald worden.
(...)
Als u zich kunt vinden in deze afspraken dan verzoek ik u deze brief uiterlijk 27 oktober 2015 “voor akkoord” getekend te retourneren.”
Deze brief is ondertekend door Rabobank en [appellant] .
Op 4 januari 2016 is [bedrijf 2] ontbonden door opheffing van het faillissement wegens een gebrek aan baten.
Op 25 juli 2017 heeft een volgend gesprek plaatsgevonden tussen Rabobank en [appellant] over de inning van de vorderingen op derden. Daarover heeft Rabobank een brief van 14 augustus 2017 gestuurd. Daarin is (onder meer) het volgende vermeld:
“U heeft nog steeds de verwachting dat de volledige vordering van de failliet uit de incasso van de debiteuren kan worden voldaan. (...)
De bank gaat akkoord met verlenging van de termijn voor de incasso van de debiteuren met 2 jaar tot 1 september 2019. De bank verbindt hieraan de volgende voorwaarden:
(...)
- De bank behoudt zich het recht voor de borgen alsnog tussentijds aan te spreken als er
naar het oordeel van de bank onvoldoende voortgang wordt geboekt bij het incassotraject.
- De kosten voor de incasso van de debiteuren kunnen bij voorrang op 30% van de geïncasseerde bedragen verhaald worden.
(...)
- Met de verkoopopbrengst van het perceel privé grond € 105.000,-- financiert u de
proceskosten. De opbrengst van de grond dient gestald te worden op een geblokkeerde verpande spaarrekening bij Rabobank. Facturen voor het proces tegen Reef kunnen hieruit worden voldaan.
- U stelt de bank niet aansprakelijk voor de door uw accountant op 3 april 2017 berekende schade als gevolg van het faillissement (zie bijlage).
(...)
U bent zich ervan bewust dat de bank niet bereid is de verpande vorderingen te incasseren en geen kosten betaalt voor de incasso procedure. (...)
Als u zich kunt vinden in deze afspraken dan verzoek ik u deze brief “voor akkoord” getekend te retourneren.”
Bij e-mail van 7 september 2017 heeft Rabobank aan [appellant] het volgende bericht:
“Op 14 augustus 2017 heb ik u een brief toegezonden met de voorwaarden waaronder wij de termijn van incasso van de debiteur(en) met 2 jaar verlengen. Voor zover ik kan nagaan heb ik de brief nog niet “voor akkoord” retour ontvangen.
Hoe staat het hiermee?”
Bij e-mail van 13 september 2017 heeft [appellant] Rabobank onder meer het volgende geantwoord:
“Volledigheidshalve merk ik op dat u in de brief een aantal voorwaarden heeft opgenomen die niet ter sprake zijn geweest.
(...)
Ik heb u duidelijk aangegeven in het gesprek indien u de borgtochten niet aanspreekt, ook niet tussentijds ik bereid ben te gaan financieren, met dien verstande dat u ons de tijd geeft om te kunnen financieren vooralsnog heb ik om twee jaar verlenging gevraagd, ook is u in eerdere email berichten bekend gemaakt dat u de borgtochten helemaal niet kunt aanspreken, indien u niet de wettelijke verplichting nakomt om te arbitreren.
Op die voorwaarde stel ik de bank niet aansprakelijk voor de geleden schade
Graag zou ik het bovenstaande verwoord willen zien in de brief”
In reactie hierop heeft Rabobank bij e-mail van 19 september 2017 bericht dat een gesprek wordt gepland op 2 oktober 2017 tussen Rabobank en [appellant] , welk gesprek vervolgens ook heeft plaatsgevonden.
Op enig moment is de brief van 14 augustus 2017 ondertekend door Rabobank en [appellant] . Daarin zijn met pen wijzigingen aangebracht door of op initiatief van (kennelijk) [appellant] en Rabobank heeft in de kantlijn de zin “Akkoord met wijzigingen” ondertekend. De wijzigingen houden in dat “105.000” is doorgestreept en onder het betreffende gedachtestreepje is geschreven dat de opbrengst is gestort naar [betrokkene 3] .
Bij e-mail van 18 januari 2018 aan [appellant] heeft Rabobank onder meer het volgende bericht:
“Met verwijzing naar ons prettige onderhoud van dd 03-01-2018 ontvang ik nog graag van u:
1. Een kopie van de door [betrokkene 1] getekende brief (brief bank gedateerd dd 14-08-2017). Deze mis ik nog.
(...)”
Bij e-mail van 22 januari 2018 aan Rabobank heeft [appellant] onder meer het volgende geantwoord:
“In de bijlage de brief van Dhr. [betrokkene 1] zoals ook besproken op 3 januari jl. de strekking van deze brief kan niet. Over verpanding van de gelden uit het perceel grond is nooit over gesproken, dit is een voorwaarde die de Rabobank eenzijdig heeft gesteld en is niet akkoord, daarover zijn andere afspraken gemaakt met [Rabobank] zie mijn brief die ik u heb overhandigd.”
Bij brief van 24 februari 2021 heeft Rabobank (onder meer) het volgende aan [appellant] bericht:
“Middels deze brief herinner ik je nog aan het feit dat de lopende borgstelling ad € 200.000,00
ten behoeve van [ [bedrijf 2] ] (failliet) en/of [ [bedrijf 2] ] (getekend d.d. 8 juli 2009) nog steeds volledig van kracht is en de bank nog steeds deze borgtochtverplichting op jou kan verhalen.
Je loopt dus nog steeds financieel risico indien de bank niet volledig en/of gedeeltelijk wordt
ingelost inzake het thans openstaande bedrag ad € 1.000.179,70 exclusief lopende renten en
kosten alsmede proceskosten.
Op dit moment is nog niet met zekerheid te zeggen of wij je moeten aanspreken. Dit is afhankelijk van de opbrengst van de gestelde zekerheden (verpande vorderingen waarvoor nu een 2-tal procedures lopen bij de Raad van Arbitrage te weten v.d. [bedrijf 1] - Gemeente Rijssen/Holten en v.d. [bedrijf 1] - Reef BV). Als hierover meer duidelijkheid is, komen wij daar bij je op terug.”
Bij brief van 8 juni 2022 heeft Rabobank aan [appellant] bericht dat Rabobank de conclusie heeft getrokken dat zij geen opbrengsten meer verwacht uit de verpande vorderingen. Rabobank heeft [appellant] bij die brief aangesproken tot betaling van € 200.000 in hoofdsom.
In 2023 heeft Rabobank afstand gedaan van haar pandrechten op de vorderingen van [bedrijf 2] op derden.