Home

Gerechtshof Amsterdam, 09-12-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3303, 200.341.493

Gerechtshof Amsterdam, 09-12-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3303, 200.341.493

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
9 december 2025
Datum publicatie
12 december 2025
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:3303
Zaaknummer
200.341.493

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer rechtsgeldig op grond van dwaling buitengerechtelijk mocht vernietigen. Het hof oordeelt dat werkgever, op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende heeft onderbouwd dat werknemer mededeling had behoren te doen aan werkgever omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie omtrent zijn gezondheid, op grond waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur. Het beroep op dwaling slaagt ook niet in hoger beroep. Het hof concludeert dat werkgever de arbeidsovereenkomst met werknemer niet buitengerechtelijk mocht vernietigen

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.341.492/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10725650\CV EXPL 23-4315

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2025

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 2] , gemeente Drechterland,

appellante,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Zaal te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [plaats 1] ,

geïntimeerde,

incidenteel appellant,

advocaat: mr. M. Heimensem te Hoorn.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1 De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] rechtsgeldig op grond van dwaling buitengerechtelijk mocht vernietigen. Het hof oordeelt dat [appellant] , op wie ter zake de stelplicht en bewijslast rusten, onvoldoende heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] mededeling had behoren te doen aan [appellant] omdat hij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst beschikte over informatie omtrent zijn gezondheid, op grond waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze hem ingrijpend en langdurig zou belemmeren in de uitoefening van de functie van monteur. Het beroep op dwaling slaagt ook niet in hoger beroep. Het hof concludeert dat [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] niet buitengerechtelijk mocht vernietigen.

2 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 15 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 maart 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie tevens gedaagde in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met een productie;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel beroep, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel beroep; en

- akte uitlating producties in principaal beroep van de zijde van [appellant] .

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 oktober 2025 laten toelichten, [appellant] door mr. Zaal voornoemd en [geïntimeerde] door mr. Heimensem voornoemd, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben tevens vragen van het hof beantwoord. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, gaat het hof uit van de volgende feiten.

3.1.

[geïntimeerde] , geboren op [datum] , heeft van 28 april 2016 tot 29 of 30 januari 2022 gewerkt als (installatie)monteur bij [bedrijf 1] hierna: [bedrijf 1] ).

3.2.

[geïntimeerde] heeft zich tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf 1] een aantal keer ziekgemeld wegens verschillende klachten. Daarnaast is [geïntimeerde] ten tijde van dit dienstverband in verband met klachten onderzocht door een reumatoloog die op dat moment geen duidelijke diagnose kon stellen. De reumatoloog heeft [geïntimeerde] doorverwezen naar een revalidatiearts die bij [geïntimeerde] een screening heeft uitgevoerd. Er is naar aanleiding van deze screening geen revalidatietraject opgestart.

3.3.

In een probleemanalyse van 13 december 2021 heeft de bedrijfsarts van [bedrijf 1] , [naam] (hierna: [naam] ) - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

Betrokkene lijkt een aandoening te hebben die belastingsafhankelijk in meer of mindere mate ( forse) klachten geeft. Betrokkene heeft reeds meerdere onderzoeken gehad alsook specialisten. Dit duurt nog voort, een definitieve diagnose is nog niet gesteld.

Of betrokkene nog terug kan keren in het huidige fysiek zware werk is hoogst twijfelachtig. Betrokkene zal in overleg treden met de wkg over de mogelijkheid van structureel lichter werk. (...)

Nu geen benutbare mogelijkheden, in de toekomst wel benutbare mogelijkheden

3.4.

[geïntimeerde] heeft zijn arbeidsovereenkomst bij [bedrijf 1] opgezegd tegen 1 februari 2022 en is van 1 februari 2022 tot 29 april 2022 als uitvoerder in dienst geweest bij de [groep] .

3.5.

[geïntimeerde] is vervolgens met ingang van 1 mei 2022 bij [appellant] als monteur werktuigbouwkundige installaties in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden. De arbeidsduur bedroeg 40 uur per week en het laatste verdiende salaris van [geïntimeerde] bedroeg € 3.273,17 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

3.6.

[geïntimeerde] had ten tijde van zijn sollicitatie en indiensttreding bij [appellant] een oogontsteking. Dit was voor [appellant] kenbaar en [geïntimeerde] heeft [appellant] geïnformeerd dat hij hiervoor in juni 2022 ter controle naar het ziekenhuis moest.

3.7.

[geïntimeerde] heeft zich op 8 november 2022 ziekgemeld en is sindsdien volledig arbeidsongeschikt.

3.8.

In een verslag van 21 november 2022 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] een chronische aandoening heeft die regelmatig opvlamt en dat hij in een intensief diagnose- en behandeltraject zit dat nog moet worden afgerond.

3.9.

In een verslag van 19 december 2022 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] ondersteuning van verschillende behandelaars krijgt en dat een concrete oorzaak en gerichte behandeling voor zijn klachten nog niet te duiden is.

3.10.

In een verslag van 27 maart 2023 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] aanhoudende fysieke klachten heeft waardoor hij teveel beperkingen heeft om het eigen dan wel ander werk te verrichten en dat er geen benutbare mogelijkheden zijn. De bedrijfsarts heeft verder geadviseerd om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten uitvoeren.

3.11.

Bij brief van 25 april 2023 heeft (de gemachtigde van) [appellant] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling. [appellant] heeft in deze brief - voor zover van belang - het volgende geschreven:

“In de eerste 2 maanden van uw dienstverband heeft u naar behoren gefunctioneerd. Na de proeftijd in de maand juli 2022 moest cliënte bemerken dat uw functioneren steeds minder werd. In deze periode heeft cliënte, althans uw leidinggevende, verschillende informele gesprekken met u gehad aangezien cliënte niet begreep waarom uw functioneren ineens een stuk minder werd. (...)

Ook heeft u zich verschillende malen ziek moeten melden. Vanaf 8 november 2022 bent u zelfs volledig arbeidsongeschikt.

Eind november 2022 deelde de bedrijfsarts aan cliënte in haar terugkoppeling mede dat sprake was van een chronische aandoening en dat u een intensief diagnose- en behandeltraject volgde. (...) Eind december 2022 bereiken cliënte geruchten dat u al veel langer “last” zou hebben van uw chronische aandoening. (...)

Eind maart 2023 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat op basis van de medische stukken moest worden geconcludeerd dat u inderdaad al veel langer deze medische aandoening had en dat er sprake was van arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstbetrekking. Ook bleek uit de medische informatie dat u al eerder arbeidsongeschikt was vanwege de medische aandoening. Er is toen ook met u gesproken c.q. geadviseerd om uit te gaan kijken naar structureel lichter en minder fysiek werk, omdat de functie te zwaar fysiek werk inhield. (...)

Op grond van het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat sprake was van arbeidsongeschiktheid bij aanvang dienstbetrekking en dat u ten tijde van het ondertekenen van de arbeidsovereenkomst met cliënte over zodanige informatie beschikte met betrekking tot uw gezondheid dat u daarvan mededeling had moeten doen aan cliënte. Indien u cliënte voornoemde informatie kenbaar had gemaakt dan had cliënte nimmer de arbeidsovereenkomst met u gesloten. Er is derhalve sprake van dwaling (artikel 6:228 BW) zijdens cliënte bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. Op grond van het vorenstaande vernietigd cliënte dan ook de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk op grond van dwaling.

Het gevolg van bovenstaande vernietiging van de arbeidsovereenkomst is terugwerkende kracht tot het moment waarop de rechtshandeling heeft plaatsgevonden waarbij reeds verrichtte prestaties ongedaan gemaakt moeten worden omdat deze onverschuldigd zijn verricht. Vorenstaande betekent dat u in beginsel al het ontvangen salaris dient terug te betalen. Echter tot 8 november 2023 heeft u uw werkzaamheden min of meer uitgevoerd (overigens vanaf medio juli 2023 ondermaats, maar dat zal cliënte vooralsnog buiten beschouwing laten) en deze prestaties kunnen niet meer ongedaan worden gemaakt. Cliënte zal dan ook (vooralsnog) geen aanspraak maken op het betaalde salaris over de periode van 1 mei 2023 tot 8 november 2023. Het betaalde loon over de periode 8 november 2023 tot heden (cliënte heeft salaris betaald tot en met april 2023) dient door u terugbetaald te worden. Het betreft hier een bedrag ad € 14.678,32 (netto). (...)”

3.12.

In een verslag van 8 mei 2023 van de bedrijfsarts van [appellant] staat dat [geïntimeerde] vermoedelijk een chronische aandoening heeft waarvoor hij in een intensief diagnose- en behandeltraject zit, dat op dat moment nog niet is afgerond.

3.13.

Bij e-mail van 11 mei 2023 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] gereageerd op de brief van [appellant] van 25 april 2023. [geïntimeerde] heeft erop gewezen dat het oordeel van de bedrijfsarts dat sprake is van een chronische aandoening onjuist is omdat er nog geen definitieve diagnose is gesteld, en dat dit in het recente verslag van de bedrijfsarts is aangepast. [geïntimeerde] heeft verder geschreven dat de vernietiging van de arbeidsovereenkomst dient te worden teruggedraaid en dat de conclusie dat er bij de sollicitatie informatie zou zijn achtergehouden veel te voorbarig is.

3.14.

Bij e-mail van 5 juni 2023 heeft [naam 2] , arbeids- en organisatiedeskundige (hierna: [naam 2] ), [geïntimeerde] - voor zover van belang - het volgende geschreven:

(...) Onze stafarts geeft aan dat van mening is dat je niet hebt verzwegen dat je een chronische ziekte zou hebben, zoals hij tijdens het consult heeft aangegeven zijn de klachten pas na het in dienst treden bij [appellant] dusdanig ernstig geworden dat je bent verwezen naar een academisch centrum om een duidelijke diagnose te krijgen. Voorlopig is het een vermoedde auto-immuun ziekte.

Wel is het zou dat je met regelmatig optredende klachten in 2020 al bent verwezen naar de reumatoloog. Deze kon toen geen duidelijke diagnose stellen. Ook ben je door hem doorverwezen naar een revalidatiearts die je wel heeft gescreend, maar geen revalidatietraject met je is ingegaan. De informatie van de arbodienst van je vorige werkgever is dat je een paar keer langdurig hebt moeten verzuimen met je klachten en in een probleemanalyse van de bedrijfsarts staat ook dat er gerede twijfel is of je nog wel geschikt bent voor zwaarder fysiek werk (...). Ik kan niet beoordelen of je dit wel of niet had moeten mededelen aan je nieuwe werkgever. Op het moment van indiensttreding was je klachtenvrij. (...)

3.15.

Bij brief van 6 juni 2023 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde] de stellingen en verwijten van [appellant] uit haar brief van 25 april 2023 betwist en heeft hij bezwaar gemaakt tegen de buitengerechtelijke vernietiging van de arbeidsovereenkomst.

3.16.

In reactie hierop heeft (de gemachtigde van) [appellant] bij brief van 9 juni 2023 laten weten dat zij haar stelling dat sprake is van dwaling die vernietiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, handhaaft.

3.17.

Bij brief van 27 juni 2023 heeft prof. [naam 3] , oogarts bij het [bedrijf 2] , in een brief - voor zover van belang - het volgende geschreven:

• Patiënt heeft een intermediaire uveitis in beide ogen. Dit is een auto-immuun-ontsteking en tot op heden is geen onderliggende oorzaak gevonden.

• Het betreft een chronische ontsteking die jarenlang actief kan zijn. Tot op heden is er een lichte visusdaling van het rechteroog door de ontsteking. Herstel is afhankelijk van de mate van ziekte activiteit en eventuele bijkomende complicaties.

• Ik heb geen andere informatie.

3.18.

Op 16 augustus 2023 is [geïntimeerde] gediagnostiseerd met sarcoïdose, een zeldzame aandoening waarbij ontstekingen in verschillende onderdelen van het lichaam kunnen optreden.1

4 Eerste aanleg

5 Vorderingen in hoger beroep

6 Beoordeling

7 Beslissing