Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:722, 200.339.904
Gerechtshof Amsterdam, 18-03-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:722, 200.339.904
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 maart 2025
- Datum publicatie
- 3 april 2025
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:722
- Zaaknummer
- 200.339.904
Inhoudsindicatie
Uitleg van art. 475aa Rv naar de bedoeling van de wetgever. Een bank is gehouden om de deurwaarder desgevraagd te informeren of een schuldenaar bij haar een bankrekening aanhoudt
Uitspraak
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.339.904/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10898568\KK EXPL 24-47
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 maart 2025
in de zaak van
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. T.T. van Zanten te Utrecht,
tegen
HOIST FINANCE AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.
Partijen worden hierna Rabobank en Hoist genoemd.
1 De zaak in het kort
Dit kort geding draait om de uitleg van artikel 475aa Rv, dat de deurwaarder die gerechtigd is tot beslaglegging, bevoegd maakt om een bank te vragen of zij geldmiddelen van de schuldenaar onder zich heeft. Hoist vindt dat de desbetreffende bank de vraag positief moet beantwoorden als de schuldenaar een bankrekening bij haar aanhoudt, ook als die bankrekening geen positief saldo heeft. Rabobank vindt dat zij de vraag in zo’n geval negatief moet beantwoorden.
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding, heeft zich bij de uitleg van Hoist aangesloten, en de uitleg van Rabobank verworpen. Daartegen komt Rabobank in dit hoger beroep op.
2 Het geding in hoger beroep
Rabobank is bij dagvaarding van 2 april 2024 in hoger beroep gekomen van een kortgedingvonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2024, onder bovenvermeld rol- en zaaknummer, heeft gewezen tussen Hoist als eiseres en Rabobank als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 7 maart 2025 laten toelichten door hun advocaten, Rabobank tevens door mr. T.G.F. Hatt, advocaat te Utrecht, steeds aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Hoist heeft nog producties in het geding gebracht.
Ter zitting van het hof is besproken dat Hoist de gelegenheid krijgt een specificatie over te leggen van de omvang van haar vordering op de (potentiële) beslagdebiteur en dat Rabobank zich hierover mag uitlaten. Mr. Slager heeft deze specificatie bij e-mail van 10 maart 2025 aan het hof gestuurd. Volgens de specificatie bedraagt de vordering per 7 november 2023, inclusief proceskosten, nakosten, executiekosten, rente en overige kosten € 1.850,27. Rabobank heeft daarop bij e-mail, eveneens van 10 maart 2025, gereageerd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Rabobank heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Hoist alsnog zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Hoist in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
Hoist heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
3 Feiten
De kantonrechter heeft in rov. 3 van het bestreden vonnis (onder 3.1 tot en met 3.6) de feiten opgesomd die bij de beoordeling van deze zaak tot uitgangspunt strekken. Deze feiten zijn in dit hoger beroep niet in geschil, zodat zij ook aan dit arrest ten grondslag worden gelegd. Deze feiten komen neer op het volgende.
( i) Op vordering van Hoist heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij vonnis van 21 juni 2023 [naam] (hierna: [naam] ) veroordeeld om aan Hoist Finance € 580,47 met rente en kosten te betalen. Het vonnis is op 10 juli 2023 aan [naam] betekend.
(ii) [naam] heeft niet aan zijn veroordeling voldaan.
(iii) In opdracht van Hoist heeft een deurwaarder bij brief van 22 december 2023, onder verwijzing naar artikel 475aa Rv, aan Rabobank gevraagd of zij geldmiddelen van [naam] onder zich heeft. Rabobank heeft ontkennend geantwoord.
(iv) Bij e-mail van 22 december 2023 heeft de deurwaarder Rabobank gevraagd om te verduidelijken of haar antwoord inhoudt dat [naam] geen bankrekening bij haar aanhoudt dan wel dat hij wel een bankrekening bij haar aanhoudt maar daarop geen positief saldo heeft.
( v) Rabobank heeft de deurwaarder nader geantwoord dat artikel 475aa Rv haar niet verplicht om de gevraagde verduidelijking te geven.