Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6644, 200.106.614
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6644, 200.106.614
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 september 2013
- Datum publicatie
- 19 september 2013
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2013:6644
- Zaaknummer
- 200.106.614
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 08-11-2024 tot 01-07-2025] art. 177, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 74, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 228
Inhoudsindicatie
Schending van de mededelingsplicht?
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.106.614
(zaaknummer rechtbank Zutphen 120482)
arrest van de eerste kamer van 10 september 2013
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. J.L. Souman,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats], gemeente Apeldoorn,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. M.F. Masman.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 3 augustus 2011 en 18 januari 2012 die de rechtbank Zutphen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 april 2012,
- het anticipatie-exploit van 1 mei 2012,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord,
- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities en de op voorhand, bij bericht van 11 juni 2013, door de advocaat van [appellant] ingebrachte productie (waartegen [geïntimeerde] bezwaar heeft gemaakt).
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).
3 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis van 18 januari 2012, met dien verstande dat, anders dan in 2.1 en 2.2 is vermeld, [geïntimeerde] en [appellant] met ingang van 1 januari 1998 in de vennootschap onder firma V.O.F. [geïntimeerde] – gevestigd te [woonplaats], [adres] – (hierna: v.o.f. [geïntimeerde]) zijn gaan samenwerken en dat [broer], een broer van [appellant], en [geïntimeerde] bij akte van 19 april 2005 [geïntimeerde]-[appellant] v.o.f. – gevestigd te [woonplaats] en met een nevenvestiging te [woonplaats], [adres] – hebben opgericht, waarin de ondernemingen van v.o.f. [geïntimeerde] en v.o.f. [appellant] en Zns (hierna: de v.o.f.) zijn voortgezet. De in 2000 verstrekte opdrachten tot inventariserend bodemonderzoek door de Klinker Milieu Adviesbureau (hierna: De Klinker) van de bodem op de locatie [adres] te [woonplaats] zijn gegeven door v.o.f. [geïntimeerde]. De opdracht die heeft geresulteerd in de rapportage van De Klinker van 9 januari 2006 is verstrekt door de v.o.f.