Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-09-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7333, 200.145.496
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-09-2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7333, 200.145.496
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 september 2014
- Datum publicatie
- 9 oktober 2014
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2014:7333
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:661, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Zaaknummer
- 200.145.496
Inhoudsindicatie
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of een in kort geding gevorderde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, zo nodig ambtshalve, mede dient te worden beoordeeld of de eisende partij - in dit geval geintimeerde - ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.145.496
(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo, 2127916)
arrest in kort geding van de derde kamer van 23 september 2014
in de zaak van
[appellant] ,
handelende onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. A.E. Doornbos,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R. Kroon.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
13 mei 2013 dat de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo) als voorzieningenrechter tussen [appellant] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] B.V. als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser en de vonnissen van 22 oktober 2013 en 11 maart 2014 die de kantonrechter (rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo) tussen [appellant] als opposant en [geïntimeerde] als geopposeerde heeft gewezen.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] heeft bij exploot van 4 april 2014 [geïntimeerde] aangezegd van dat vonnis van 11 maart 2014 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.
In genoemd exploot heeft [appellant] zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht.
Hij heeft aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (het hof begrijpt:) [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen in eerste aanleg, dan wel hem deze zal ontzeggen dan wel deze zal afwijzen, en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief salaris gemachtigde en nakosten.
[appellant] heeft schriftelijk voor eis geconcludeerd overeenkomstig het hiervoor vermelde exploot.
Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en heeft hij een aantal producties in het geding gebracht. Hij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering van gronden (het hof begrijpt:) het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
Ter zitting van 12 september 2014 hebben de partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. A.E. Doornbos, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde] door mr. R. Kroon, advocaat te Almelo. Mr. Doornbos heeft daarbij pleitnotities in het geding gebracht.
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het dossier van [appellant].
3 De grieven
[appellant] heeft de volgende grieven aangevoerd. Bij de weergave van de grieven volgt het hof de tekst van het bestreden vonnis.
Grief 1
Ten onrechte is de kantonrechter (toev. hof: onder 3.2.1 en 3.2.2) ervan uitgegaan dat:
“(...) Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, waarbij [A] op geen enkele wijze heeft laten weten dat gehandeld werd namens een besloten vennootschap en derhalve niet duidelijk is geweest over haar rechtspersoonlijkheid heeft [geïntimeerde] erop mogen vertrouwen dat hij te werk zou worden gesteld bij [appellant], h.o.d.n. [A]. Het lag op de weg van [A] die met [geïntimeerde] onderhandelde over het sluiten van een arbeidsovereenkomst, duidelijkheid te verschaffen omtrent haar rechtspersoonlijkheid. Het ligt niet op de weg van een potentiële arbeidskracht daarnaar te vragen (...)
Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat [appellant], h.o.d.n. [A] (...) het bedrijf was waarvoor [geïntimeerde] zijn werkzaamheden verrichtte. Voor zover [appellant] heeft gevorderd [geïntimeerde] alsnog in zijn oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen omdat [geïntimeerde] niet bij [appellant] maar [A] B.V. te werk was gesteld en zich derhalve tot [A] B.V. had moeten richten, dient die vordering in oppositie te worden afgewezen.”
Grief 2
Ten onrechte heeft de kantonrechter (toev. hof: onder 3.3.4) geoordeeld:
“(...) Daarmee heeft [A] op z’n zachts(t) gezegd een onduidelijke en ondoorzichtige situatie gecreëerd waar het haar rol betreft. Daarvoor is hij jegens [geïntimeerde] verantwoordelijk.”
Grief 3
Ten onrechte heeft de kantonrechter (toev. hof: onder 3.3.6 en 3.3.7) geoordeeld:
“(...) Derhalve kan ook om die reden de tussen [B] en [geïntimeerde] gesloten schriftelijke overeenkomst niet aan het aannemen van een (arbeids-)overeenkomst tussen [A] en [geïntimeerde] in de weg staan. (...)
Op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 3.3.4 opgesomde feiten en omstandigheden dient door de gekozen constructie heen gekeken te worden en dient geconcludeerd te worden dat er sprake is van verbondenheid tussen [A] en [geïntimeerde] en dient die verbondenheid ook als arbeidsovereenkomst te worden gekwalificeerd. (...)”
Grief 4
Ten onrechte heeft de kantonrechter (toev. hof: onder 3.4.2) geoordeeld:
“(...) Wat er ook van zij, nu zoals hiervoor is overwogen, is komen vast te staan dat van een rechtsgeldige uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 BW geen sprake is, is ook het in de arbeidsovereenkomst opgenomen uitzendbeding (...) niet rechtsgeldig overeengekomen. (...)”
Grief 5
Ten onrechte heeft de kantonrechter (toev. hof: onder 3.4.2 en 3.4.3) geoordeeld:
“(...) Dat de arbeidsovereenkomst op enig ander moment, eerder dan door het verstrijken van de tijd waarvoor hij is aangegaan, te weten 78 weken, is beëindigd, is gesteld noch gebleken. (...)
Derhalve is het aannemelijk dat de loonvordering over de maanden januari t/m maart 2013 (het hof begrijpt:), alsmede het loon, een bedrag van € 1.461,85 bruto per maand, vanaf
1 april 2013 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, (zal) worden toegewezen.”
Grief 6
Ten onrechte heeft de kantonrechter (toev. hof: onder Rechtdoende) geoordeeld:
“Wijst de vordering van [appellant] h.o.d.n. [A], strekkende tot vernietiging (van) het vonnis, bij verstek in kort geding, tussen partijen onder zaaknummer 436366 CV EXPL 13-1632 op 13 mei 2013 gewezen, af en bekrachtigt voornoemd vonnis.
Veroordeelt [appellant], h.o.d.n. [A], in de kosten van de procedure aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde”