Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-04-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2650, 200.100.817
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-04-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:2650, 200.100.817
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 14 april 2015
- Datum publicatie
- 17 april 2015
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2015:2650
- Zaaknummer
- 200.100.817
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 106, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 162, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Tekst geldig vanaf 08-03-2025 tot 01-07-2025], Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Tekst geldig vanaf 08-03-2025 tot 01-07-2025] art. 22
Inhoudsindicatie
Hoger beroep; onrechtmatig handelen door jarenlange anonieme stalking/belaging met het oogmerk om de belaagde emotioneel en geestelijk te raken en hem bang te maken, zodat hij overspannen zou raken; gevolgen; omvang smartengeld.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.100.817
(zaaknummers rechtbank Almelo 116029 en 118441)
arrest van de tweede kamer van 14 april 2015
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaatsnaam],
appellant,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. H.C.J. Coumou,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaatsnaam],
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 december 2010 (verstekvonnis), 9 maart 2011 (comparitievonnis in verzet) en van 12 oktober 2011 (eindvonnis in verzet) die de rechtbank Almelo heeft gewezen tussen [appellant] als eiser respectievelijk geopposeerde en [geïntimeerde] als gedaagde respectievelijk opposant.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 januari 2012,
- de memorie van grieven met producties,
- de memorie van antwoord.
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3 De vaststaande feiten
Vanaf augustus 1997 (volgens [geïntimeerde] na een mishandeling door [appellant] welke [appellant] betwist) heeft [geïntimeerde], anoniem, tot en met 2008 [appellant] (geboren in [jaartal]) stelselmatig gestalkt (belaagd) met beledigende, bedreigende en onterende teksten, die hij telefonisch en schriftelijk richtte aan vrienden, kennissen, buren, collega’s en werkgevers van [appellant].
In verband hiermee heeft [appellant] regelmatig zijn huisarts bezocht (zie de getypte patiëntgegevens in productie 6 in eerste aanleg alsmede de handgeschreven patiëntgegevens onder productie 4 bij memorie van grieven) en een maatschappelijk werker ingeschakeld. [appellant] kreeg daarnaast psychologische bijstand. Vanaf 2003 was hij onder behandeling van psycholoog [de psycholoog] in Enschede.
[appellant], sedert augustus 1997 als bedrijfsleider werkzaam bij [bedrijfsnaam] te [plaatsnaam], werd in september 2000 na een ontbindingsprocedure ontslagen.
Vanaf maart 2001 heeft [appellant] in dienstbetrekking gewerkt van [bedrijfsnaam] te [plaatsnaam]. Bij anonieme brieven, zoals de brief van 25 oktober 2002 aan [bedrijfsnaam] (productie onder 3 bij memorie van grieven), heeft [geïntimeerde], die toen schuilging onder de naam “de actiegroep”, [appellant] in een kwaad daglicht gesteld. Daarbij heeft hij in de brief van 25 oktober 2002 onder meer bericht:
“In [plaatsnaam] staat hij als inbreker bekend etc. Ook heeft hij als verkoper bij [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam] gewerkt, maar wegens diefstal ontslagen. (...) Ook in [plaatsnaam] woont Fam. van deze slachtoffers en die zeggen wij gaan niet naar E.C.B. om materiaal te kopen want daar werkt die inbreker uit [plaatsnaam] enz.
Ook heeft hij enkele personen met de dood bedreigd, omdat die hadden verteld dat hij heeft ingebroken (...)”.
Op 19 augustus 2002 heeft [appellant] zich ziek gemeld wegens overspanning. Hij werd begeleid door de ARBO-arts van Maetis. Nadat hij door de arbodienst per 1 mei 2003 hersteld was gemeld, is zijn dienstverband eind september 2003, ook hier, na een ontbindingsprocedure geëindigd.
Daarna heeft [appellant] een WW- en ZW-uitkering ontvangen totdat hij in het voorjaar van 2007 in het kader van een re-integratietraject van het UWV (zie het plan in productie 8 bij de rechtbank alsmede de Individuele re-integratieovereenkomst onder productie 4 bij memorie van grieven), met tijdelijk behoud van zijn uitkering tot 14 april 2007, een eigen bedrijf (verfhandel) heeft gestart onder de naam [bedrijfsnaam] te [plaatsnaam]. Op 3 mei 2007 heeft [appellant] zich ziek gemeld omdat hij door zijn rug was gegaan. Het UWV heeft bij beslissing van 26 juli 2007 [appellant] weer geschikt geacht tot het verrichten van arbeid en zijn bezwaar daartegen na een medische rapportage in bezwaarschriftprocedure van 5 september 2007 bij beslissing van 7 september 2007 verworpen (producties 10 en 11 in eerste aanleg en productie 4 bij memorie van grieven).
In mei 2009 heeft [appellant] de noodlijdende winkel gesloten. Bij vonnis van 8 november 2012 heeft de rechtbank Almelo ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Zijn uitsluitend zakelijke schuldenlast bedraagt circa € 66.805.
Gedurende de gehele stalkingsperiode heeft [appellant] en hebben ook anderen de stalkingsbrieven veelvuldig bij de politie ingeleverd en heeft [appellant] meermalen aangifte gedaan of willen doen. Uiteindelijk heeft de politie [geïntimeerde] op 17 februari 2009 als verdachte aangehouden (zie het proces-verbaal, productie 6 bij memorie van grieven), waarop deze een bekennende verklaring heeft afgelegd (productie 1 bij inleidende dagvaarding), onder meer inhoudend:
“Ik dacht ik zal hem wel terugpakken. Uit rancune besloot ik hem slecht te maken in brieven.
In de brieven heb ik geschreven dat [appellant] de inbraak bij [bedrijfsnaam] heeft gepleegd. Ook schreef ik dat hij dieren mishandelde. (...) Ik schreef ook dat hij mensen bedreigde met de dood. (...) Ook schreef ik dat de familieleden van [appellant] alles te weten zouden komen. (...)
Ik heb de meeste buren van [appellant] aan de [straatnaam] ook een brief geschreven. Dit is door de jaren heen gebeurd. Ik schreef ook over diefstallen bij [bedrijfsnaam] in Delden. (...)
Behalve de mishandeling en de doodsbedreiging aan mij kan ik de andere zaken die ik in mijn brieven heb geschreven over [appellant] niet hard maken. Ik schreef die verdachtmakingen puur uit wraak naar [appellant] toe. Puur, omdat hij mij zo heeft mishandeld. (...)
In mijn brieven schreef ik ook ‘dood aan deze inbreker’ ‘dood aan dit stuk tuig’ ‘dood aan deze crimineel’ ‘ik zorg dat je fysiek geen leven meer hebt’ ‘emotioneel zal hem zwaar opbreken’. (...) Ik wilde ook dat [appellant] emotioneel geraakt zou worden. Ik wilde hem geestelijk raken. Ik wilde dat hij constant aan de schrijver van de brieven zou denken en dat hij daar overspannen door zou raken. Ik wens hem niet daadwerkelijk de dood.
(...)
Ook wilde ik dat hij bang zou worden.
Ik schreef ook in mijn brieven dat ik hem verdacht van inbraken aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] en van inbraken in [plaatsnaam].
(...)
Ook schreef ik in mijn brieven dat [appellant] van de familie geld leende om de bruiloft terug te betalen.
(...)
Ik heb ongeveer 5 tot 20 brieven per jaar geschreven. Het zou best kunnen dat ik meer dan 100 brieven in de loop der jaren heb geschreven. In het begin stuurde ik meer brieven dan de afgelopen paar jaren. Ik schreef over het gehele jaar meerdere brieven. (...) Ik kan mij voorstellen dat ik stelselmatig een inbreuk heb gemaakt in de persoonlijke levenssfeer van [appellant] met de bedoeling om hem vrees aan te jagen.
Ik schreef in mijn brieven ook dat [appellant] met name belang had bij sieraden en geld bij zijn inbraken. (...)
Ik heb ook brieven geschreven naar de werkgevers van [appellant]. Ik schreef brieven naar [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam], [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam] en [bedrijfsnaam] in [plaatsnaam]. (...) Ik wilde dat zijn werkgevers wisten wat voor iemand zij in dienst hadden.
(...)
Eind 1997 heb ik mijn eerste brief geschreven.
(...)
In december 2008 heb ik voor het laatst een brief geschreven. Ik zal de brief wel naar iemand van de [straatnaam] hebben gestuurd.
(...)
Al met al kan ik u zeggen dat ik brieven heb gestuurd naar naaste familie en ook naar mensen waarvan ik dacht dat ze naaste familie van [appellant] zijn, buren van naaste familie, oude buren van [appellant] aan de [straatnaam], mensen waarvan ik dacht die [appellant] zouden kennen en naar zijn werkgevers.
(...)
De pijn die ik voelde, wilde ik ook [appellant] doen voelen.”
Ter zake heeft de politierechter in de rechtbank Almelo [geïntimeerde] bij vonnis van 17 december 2009 op tegenspraak veroordeeld wegens het in de jaren 2004 tot en met 2008 meermalen plegen van de misdrijven van de artikelen 262 (laster) en 285 (bedreiging) van het Wetboek van Strafrecht (productie bij akte van 8 juni 2011). Dit vonnis is in gewijsde gegaan doordat het gerechtshof Arnhem bij arrest van 4 april 2011 (productie 1 bij memorie van grieven) [geïntimeerde] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
Bij brieven van 7 mei 2010 en 30 juli 2010 (producties 4 bij inleidende dagvaarding) heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] ter zake aansprakelijk gesteld en vervolgens ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder Lankheets aansprakelijkheidsverzekeraar Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van 31 december 2010 (zie productie 5 van [appellant] in eerste aanleg) heeft de verzekeraar verklaard dat er geen polisdekking bestaat en dat [geïntimeerde] geen beroep heeft gedaan op zijn polis.
Nadat [geïntimeerde] als dader bekend was geworden, is [appellant] van 2009/2010 tot 2013 in behandeling geweest bij psychologe [de psychologe] van de GGZ-instelling Mediant in Enschede.
Op verzoek van (de advocaat van) [appellant] heeft psychiater [de psychiater] een psychiatrische expertise d.d. 29 augustus 2014 uitgebracht (productie 2 bij memorie van grieven), waarbij zich als bijlage een psychologisch onderzoek bevindt, op 16 juli 2014 uitgebracht door klinisch psycholoog [de klinisch psycholoog].