Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-01-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:344, 200.137.332-01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-01-2015, ECLI:NL:GHARL:2015:344, 200.137.332-01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 20 januari 2015
- Datum publicatie
- 22 januari 2015
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2015:344
- Zaaknummer
- 200.137.332-01
Inhoudsindicatie
Dexia zaak. Vervolg op HR 20 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:CA0258. Hof honoreert beroep op rechtsverwerking / vertrouwensbeginsel/ handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid.
De toegezonden eindafrekening van Dexia bevatte niet een voor de wederpartij kenbare fout. Dexia mocht hier niet 2,5 jaar later ten nadele van haar cliënte op terugkomen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.137.332/01
(zaaknummer rechtbank Breda 12/00753)
arrest van de eerste kamer van 20 januari 2015
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats 1],
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. P.F. van Esseveldt, kantoorhoudend te Utrecht,
tegen
Varde Investments Limited,
gevestigd te Dublin,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Varde,
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens, kantoorhoudend te Spijkenisse.
1 Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van
19 november 2008 van de rechtbank Breda, sector kanton (hierna: de kantonrechter).
2 Het verloop van het geding in hoger beroep na verwijzing
Voor de voorgeschiedenis verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2013 (gepubliceerd onder: ECLI:NL:HR:2013:CA0258). Daarbij heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 22 november 2011 (gepubliceerd onder: ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5643) vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen.
Het verdere verloop blijkt uit:
- -
-
het oproepingsexploot door [appellante] aan Varde d.d. 17 oktober 2013;
- -
-
het herstelexploit door [appellante] aan Varde d.d. 11 november 2013;
- -
-
de memorie na verwijzing van [appellante] met de vordering tot het alsnog bekrachtigen, zonodig met verbetering van gronden, van het vonnis van de kantonrechter onder verwijzing van Varde in de kosten van het hoger beroep;
- -
-
de antwoordmemorie na verwijzing van Varde;
- -
-
een akte zijdens [appellante].
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3 De vaststaande feiten
Op grond van het arrest tot verwijzing van de Hoge Raad van 20 september 2013 dient uitgegaan te worden van de navolgende vaststaande feiten, aangevuld met enige feiten die in de procedure tevens als vaststaand hebben te gelden:
Op 19 juni 2001 heeft [appellante] met een rechtsvoorganger van Dexia Nederland N.V. (hierna: Dexia) een effectenleaseovereenkomst gesloten, met contractnummer [nummer 1], voor de duur van 240 maanden. Ingevolge art. 2 van de overeenkomst had [appellante] het recht de overeenkomst dagelijks door middel van een schriftelijke mededeling aan Dexia te beëindigen. Ook haar toenmalige partner, [partner], heeft destijds met Dexia een effectenleaseovereenkomst gesloten, met contractnummer [nummer 2], voor de duur van 240 maanden.
[appellante] en/of [partner] heeft/hebben in juli 2004 een bedrag van
€ 19.140,80 over doen maken ten behoeve van Dexia. Op het desbetreffende rekeningafschrift is als kenmerk vermeld: “VOORUITBET OVK [nummer 1] E9570” en “VOORUITBET OVK [nummer 2] E9570”. Het bedrag is bij Dexia grotendeels administratief bijgeschreven ten gunste van [appellante].
Op verzoek van [appellante] is haar effectenleaseovereenkomst op 1 september 2004 tussentijds beëindigd. Blijkens de op 3 september 2004 door Dexia opgemaakte eindafrekening van contractnummer [nummer 1] resteerde na verkoop van de effecten een door [appellante] te ontvangen bedrag van € 3.203,48. Dexia heeft dat bedrag overgemaakt op de rekening van [appellante].
[appellante] was ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst woonachtig te [woonplaats 2]. Zij is nadien verhuisd naar haar huidige woning te [woonplaats 1].
Dexia heeft bij brief van 22 maart 2005, gericht aan [appellante] op het adres te [woonplaats 2], medegedeeld dat Dexia het in juli 2004 ontvangen bedrag per abuis in zijn geheel op overeenkomst [nummer 1] heeft geboekt, dat zij deze boeking inmiddels heeft gecorrigeerd en dat als gevolg daarvan op de overeenkomst [nummer 1] nog een door [appellante] te betalen bedrag van € 9.570,40 openstaat. Bij deze brief is een gecorrigeerde eindafrekening van overeenkomst [nummer 1] gevoegd, waaruit blijkt dat een te betalen bedrag resteerde van € 9.570,07. [appellante] heeft die brief destijds niet ontvangen.
Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 25 januari 2007 (verder: de WCAM-beschikking) de (gewijzigde) WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 (verder ook: de Duisenberg-regeling) verbindend verklaard voor de ‘gerechtigden’ als bedoeld in art. 2 van die overeenkomst, met dien verstande dat een gerechtigde tot schadevergoeding binnen zes maanden na de aankondiging dat de beschikking onherroepelijk is geworden door een schriftelijke mededeling kon laten weten niet gebonden te willen zijn. De aankondiging van de onherroepelijk geworden beschikking van het hof heeft plaatsgevonden op
31 januari 2007. Gezien de datum van aankondiging diende de opt-outverklaring vóór
1 augustus 2007 bij de in de WCAM-overeenkomst aangewezen notaris te worden ingediend.
Dexia heeft [appellante] bij brief van 22 februari 2007, verstuurd naar haar nieuwe adres te [woonplaats 1], een zogeheten Duisenbergoverzicht gestuurd waarop een totaal door [appellante] te betalen bedrag van € 0,00 stond vermeld. Onderaan deze brief is in een kader vermeld:
“In het Duisenbergoverzicht zijn de financiële consequenties van de Duisenberg-Regeling voor uw beëindigde effectenlease-overeenkomst(en) opgenomen. De Duisenberg-Regeling is bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam verbindend verklaard. (...)
Voor de contracten op wie de verbindendverklaring van toepassing is en die tijdig een zogenoemde opt-out verklaring afleggen of hebben afgelegd, is de regeling en dus dit overzicht niet onverkort van toepassing. (...)”
Bij brief van 6 maart 2007 heeft Dexia aan [appellante] medegedeeld dat het eerder gestuurde Duisenbergoverzicht onjuist was. In deze brief is voorts het volgende vermeld:
“Op 22 februari 2007 hebben wij u een Duisenbergoverzicht gestuurd omdat u na de verbindendverklaring van de Duisenberg-Regeling voor die regeling in aanmerking komt.
In dit overzicht is het totaal door u te betalen bedrag helaas onjuist vermeld.
Bij de berekening is/zijn (een deel van) de openstaande posten van uw effectenlease-overeenkomsten(en) ten onrechte niet meegenomen. Het bedrag van de vergoeding volgens de Duisenberg-Regeling is wel juist. Zo spoedig mogelijk ontvangt u van ons bericht welk bedrag u nog aan Dexia (...) dient te betalen.”
Dexia heeft [appellante] vervolgens bij brief van 12 maart 2007 bericht dat zij uit hoofde van de beëindigde effectenleaseovereenkomst, die onder de Duisenberg-regeling valt, aan Dexia een bedrag dient te betalen van € 7.092,82. Ook onderaan deze brief zijn de hiervoor onder 3.7 vermelde verwijzing naar de verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling en de mogelijkheid om een opt-outverklaring af te leggen opgenomen.
In reactie hierop heeft [appellante] bij brief van 18 maart 2007 medegedeeld dat haar overeenkomst reeds in september/augustus 2004 financieel was afgehandeld en dat zij geen schuld meer aan Dexia had. "Naar aanleiding van uw schrijven d.d. 12 maart jl., deel ik u mede, dat mijn contract reeds in augustus /september 2004 is afgehandeld. In die tijd had ik een hypotheek nodig en is alles toen afgekocht."
Dexia heeft [appellante] hierop bij brief van 20 april 2007 medegedeeld dat Dexia in haar aan [appellante] gestuurde brief van 22 maart 2005 uitleg heeft gegeven over het nog door [appellante] uit hoofde van de effectenlease-overeenkomst te betalen bedrag, en deze brief met de gecorrigeerde eindafrekening als bijlagen bij haar brief van 20 april 2007 gevoegd
[appellante] heeft naar aanleiding van die brief op - naar het hof verstaat -
23 april 2007 aan Dexia geschreven: "Graag wil ik een copie van beide contracten met alle correspondentie erover. Indien ik had geweten dat ik moest betalen, voor ruim 2 1⁄2 jaar terug, had ik het heel anders aangepakt en het waarschijnlijk niet afgekocht. Nu stelt u mij na ruim 2 1⁄2 jaar ineens voor het blok om een bedrag van € 9.570,40 even binnen 4 weken te betalen. Sorry maar dat geld heb ik gewoonweg niet. Nooit eerder heb ik ook maar iets van u vernomen dat er nog een schuld stond. Ik neem u dat zeer kwalijk."
Tussen [appellante] en Dexia is vervolgens uitvoerig gecorrespondeerd over de verschuldigdheid van het bedrag van € 7.092,82 door [appellante]. De gemachtigde van [appellante] heeft Dexia bij brief van 19 oktober 2007 medegedeeld dat de vordering wordt betwist en dat [appellante] zich op grond van de redelijkheid en billijkheid en in het kader van rechtsverwerking niet gehouden acht de door Dexia gestelde vordering te voldoen.
Dexia heeft haar vordering op [appellante] uit hoofde van de (gewijzigde) WCAM-overeenkomst gecedeerd aan Varde. Bij brief van 10 januari 2008 is namens Varde de overdracht van de desbetreffende vordering aan [appellante] medegedeeld. [appellante] heeft geen gevolg gegeven aan aanmaningen van Varde tot betaling.