Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-07-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6140, 200.190.012
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-07-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6140, 200.190.012
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 27 juli 2016
- Datum publicatie
- 3 augustus 2016
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2016:6140
- Zaaknummer
- 200.190.012
Inhoudsindicatie
Ontbindingsverzoek werknemer na 2 jaar ziekte. Als de werknemer na ommekomst van de loondoorbetalingstermijn geen stappen onderneemt om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Ten overvloede wordt overwogen dat, indien het verzoek van de werknemer om toekenning van de transitievergoeding wordt geweigerd, aan die werknemer ook de gelgenheid moet worden geboden zijn verzoek in te trekken.
Uitspraak
Locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer 200.190.012
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4687020)
beschikking van 27 juli 2016
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [plaatsnaam] ,
verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M.J. Klinkert,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster],
gevestigd te [plaatsnaam] ,
verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
advocaat: mr. G. de Gelder.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort) van 27 januari 2016.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, binnengekomen bij de griffie van het hof op
25 april 2016, heeft [verzoeker] - zakelijk weergegeven - verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de in eerste aanleg gevorderde transitievergoeding alsnog toe te wijzen en, ingeval deze niet wordt toegewezen, [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zijn verzoek tot ontbinding in te trekken, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij verweerschrift, per fax binnengekomen bij de griffie van het hof op 6 juni 2016, heeft [verweerster] verweer gevoerd en verzocht dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, [verzoeker] in zijn verzoeken niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel deze zal afwijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van het geding in beide instanties.
Het hof heeft kennisgenomen van de op 11 juli 2016 ingekomen akte verduidelijking eis van de zijde van [verzoeker] .
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2016 te Zwolle. [verzoeker] is toen in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Klinkert. Namens [verweerster] is verschenen [persoon 1] , die werd bijgestaan door mr. De Gelder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat hij niet terug wil naar [verweerster] en daarom zijn verzoek om hem, zo zijn verzoek tot toekenning van de transitievergoeding zou worden afgewezen, in de gelegenheid te stellen zijn verzoek in te trekken, ingetrokken.
Na afloop van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op heden.
3 De feiten
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is op 3 juli 2006 bij [verweerster] in dienst getreden als chauffeur. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.304,80 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, toeslagen en overige emolumenten.
[verzoeker] is op 4 november 2013 arbeidsongeschikt geworden.
Bij beschikking van 26 augustus 2015 is aan [verzoeker] met ingang van 2 november 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. [verzoeker] is daarbij 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid geacht. In het rapport van het arbeidsdeskundig onderzoek van 20 augustus 2015 dat naar aanleiding van de WIA aanvraag is gedaan, staat dat [verzoeker] door een neurologische aandoening zijn werk als chauffeur niet meer kan doen. Hij is, aldus het rapport: “aangewezen op fysiek licht, werk voor ongeveer 6 uur per dag, 30 uur per week, waarin hij beroepsmatig geen auto hoeft te rijden en waarin hij niet voortdurend fijn motorische handelingen hoeft te verrichten”.
In september 2015 is tussen partijen gesproken over een beëindiging van het dienstverband. [verweerster] heeft vervolgens aan [verzoeker] een concept van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband toegezonden.
Naar aanleiding van een vraag van [verzoeker] heeft [verweerster] te kennen gegeven niet bereid te zijn een transitievergoeding of een ontslagvergoeding aan [verzoeker] te betalen. [verzoeker] heeft daarop geweigerd de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen.