Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11493, 200.215.453/01 en 200.215.540/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11493, 200.215.453/01 en 200.215.540/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
4 december 2017
Datum publicatie
25 januari 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2017:11493
Zaaknummer
200.215.453/01 en 200.215.540/01

Inhoudsindicatie

Ontslag en op non-actiefstelling van werknemer nadat diens verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van zijn positie binnen het bedrijf van werkgever zijn teleurgesteld.

De relatie tussen werknemer en werkgever zijn vervolgens verslechterd. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden en een vergoeding toegekend. Het hof vernietigd de bestreden beschikking

gedeeltelijk en wijzigt de uitkomst in geringe mate.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.215.453/01 en 200.215.540/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, 5606461 / ME VERZ 16-347)

beschikking van 4 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidDZAP GROEP B.V.,

gevestigd te Naarden,

verzoekster in het principaal hoger beroep, tevens verweerster in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoekster,

hierna: DZAP,

advocaat: mr. mr. I. Janssen,

tegen

[geïntimeerde] ,wonende te [woonplaats] ,verweerder in het principaal hoger beroep, tevens verzoeker in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: verweerder, hierna: [geïntimeerde],advocaat: mr. A. Lettenga.

1 1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere) van 10 februari 2017 (hierna: de kantonrechter).

2 2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift tevens houdend een verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak in eerste aanleg (met producties van DZAP) ter griffie ontvangen op 4 mei 2017 en op 18 mei 2017 aangevuld met bijlage J;

- het verweerschrift tevens verzoekschrift in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] (met producties);

- het verweerschrift in (voorwaardelijk) incidenteel beroep van DZAP (met producties);

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door [geïntimeerde] ingediende productie met nummer 3;

- het door DZAP tegen productie 3 gemaakte bezwaar is door het hof gepasseerd, gezien de (zeer) geringe omvang van de betreffende e-mail;

- de mondelinge behandeling van 7 juli 2017, bij welke gelegenheid door de advocaten van partijen is gepleit aan de hand van pleitnota’s die zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 11 september 2017 of zoveel eerder als mogelijk is. Vervolgens is de beschikking aangehouden tot heden.

2.3

DZAP verzoekt in hoger beroep, verkort weergegeven, als voorlopige voorziening:a. de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 10 februari 2017 te schorsen;

b. [geïntimeerde] te verbieden werkzaam of direct of indirect betrokken te zijn bij concurrerende activiteiten jegens DZAP dit onder verbeurte van boetes en dwangsommen;

2.4

Voorts heeft DZAP verzocht de beschikking van 10 februari 2017 te vernietigen voor zover daarin: a. aan [geïntimeerde] een voorwaardelijke vergoeding van na de beschikking ontstane kosten wordt toegekend;

b. aan [geïntimeerde] een transitievergoeding wordt toegekend;

c. aan [geïntimeerde] een billijke vergoeding wordt toegekend; d. voor recht wordt verklaard dat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van DZAP.

Telkens met de verplichting voor [geïntimeerde] terug te betalen hetgeen DZAP eventueel al aan hem heeft betaald.

2.5

Voorts verzoekt DZAP een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.

2.6.

Ten slotte verzoekt DZAP [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

2.7.

[geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin, verkort weergegeven, verzocht om vernietiging van de beschikking van 10 februari 2017, voor zover daarin de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2017 en een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto aan [geïntimeerde] is toegekend. [geïntimeerde] verzoek om opnieuw rechtdoende de ontbinding uit te spreken per 1 juli 2017 en de aan hem toe te kennen billijke vergoeding te bepalen op € 150.000,-.

2.8.

Verder heeft [geïntimeerde] voorwaardelijk het volgende verzocht.

Voor geval het hof oordeelt dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door DZAP, dat het hof de beschikking van 10 februari 2017 zal vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat geen sprake is van een situatie bedoeld in art. 7:653 lid 4 BW, en opnieuw rechtdoende het concurrentiebeding ex artikel 7:653 lid 3 sub b BW zal vernietigen.

2.9.

Onvoorwaardelijk heeft [geïntimeerde] ten slotte verzocht dat DZAP zal worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

3 3. De feiten

In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, de volgende feiten vast.

3.1.

DZAP is een advies-, architecten- en projectmanagementbureau dat haar klanten adviseert over (afbouw-, en inrichtingsprojecten. Er zijn tweeënveertig werknemers werkzaam bij de onderneming.

3.2.. [geïntimeerde] is op 1 september 2002 bij DZAP in dienst getreden, laatstelijk in de functie van directeur projecten/manager projectbewaking; tegen een salaris van € 5.780,- (bruto) per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, waaronder een winstuitkering. [geïntimeerde] maakte sinds zijn binnenkomst deel uit van het management team (hierna: het MT). Het managementteam bestond verder uit de heren [X] en [Y] alsmede de directeur/eigenaar de heer [directeur/eigenaar] (hierna: [directeur/eigenaar] ). Op verzoek van [directeur/eigenaar] trad in januari 2012 de heer [Z] (hierna: [Z] ) toe tot de organisatie. [Z] ging in plaats van [directeur/eigenaar] leidinggeven aan de leden van het managementteam. [directeur/eigenaar] heeft zijn aandelen in DZAP in 2014 overgedragen aan [Z] , althans aan een vennootschap die volledig toebehoorde aan [Z] .

3.3.

In een e-mail van 5 juli 2016 heeft de bestuurder en hoofdaandeelhouder van DZAP, [Z] (hierna: [Z] ), onder andere, het volgende aan [geïntimeerde] geschreven:

"(...) Ik heb onlangs van je begrepen dat je het niet langer naar je zin hebt hij DZAP en overweegt je loopbaan elders of op een andere manier voort te zetlen Ik heb proberen aan te geven dat ik je graag voor DZAP behoudt. Een eventueel vertrek van jou bij DZAP zou ik betreuren, maar ik heb aangegeven je alsdan wel een fatsoenlijk vertrek te gunnen. (...)

In plaats van zelf verder de dialoog met mij te voeren, ontving ik gisteren onaangekondigd een brief van je advocaat. In deze brief lees ik dat ‘... voortzetting van het dienstverband .. niet langer meer opportuun is’. Nogmaals: wat mij betreft is daarvan geen sprake (...)".

3.4.

In een e-mail van 21 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] , onder meer het volgende aan [Z] geschreven: "Er blijft miscommunicatie tussen ons ontstaan en verwijten naar mij toe”.

[Z] heeft hierop in een e-mail van 26 oktober 2016 onder meer als volgt gereageerd:

"Gistermiddag hadden we wederom een verhit gesprek over jouw rol en functioneren binnen DZAP en de wijze waarop wij met elkaar omgaan (...)”

3.5.

[Z] heeft [geïntimeerde] in een brief van 3 november 2016, onder meer, het volgende geschreven:

"(...) Ik geef je nu de volgende instructie: vanaf heden onthoud je je van zakelijke contacten namens DZAP (...). Als je deze instructie (...) van mij negeert moet je er rekening mee houden dat DZAP het initiatief kan nemen om je te ontslaan. In dit specifieke geval sluit ik een ontslag op staande voet niet uit (...)".

3.6.

Tussen partijen heeft op 23 november 2016 een mediationgesprek plaatsgevonden.

3.7.

Met een e-mail van 8 december 2016 heeft DZAP [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In de e-mail wordt dit als volgt toegelicht:

"Directe aanleiding voor deze beslissing is concrete terugkoppeling vanmiddag van een MT-collega naar mij over jouw gedragingen en opmerkingen vandaag op kantoor, alsook naar aanleiding daarvan de onthulling van kritische vragen en aanvullend beklag van meerdere collega 's over jouw gedragingen en opstelling afgelopen periode. Bovendien heeft eveneens vanmiddag een opdrachtgever er - om dezelfde redenen - melding van gemaakt niet langer prijs te stellen op jouw aanwezigheid bij besprekingen. Het feit dat dit allemaal speelt dan wel aan het licht komt in de fase waarin we nu zitten en de effecten. die dat op DZAP en haar medewerkers heeft of kan hebben, maken ingrijpen nu helaas noodzakelijk ".

3.8.

Per e-mail van 9 december 2016 heeft [geïntimeerde] aan [Z] bericht dat hij niet instemt met de non-actiefstelling en dat hij zich beschikbaar houdt voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

3.9.

In een afzonderlijke kortgedingprocedure bij de rechtbank (zaaknummer: 5599793 MV EXPL 16-212) heeft [geïntimeerde] , onder meer, wedertewerkstelling gevorderd. Dit kort geding is door de rechtbank gelijktijdig met de onderhavige zaak in eerste aanleg behandeld en in zowel het kort geding als in de onderhavige zaak is op 10 februari 2017 door de rechtbank uitspraak gedaan. Daarbij is de de wedertewerkstelling van [geïntimeerde] afgewezen, (mede) omdat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2017 heeft ontbonden.

4 De verzoeken en de beoordeling daarvan in eerste aanleg

5 De beoordeling van het hoger beroep

6 Slotsom

7 De beslissing