Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-06-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4815, 200.152.494/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-06-2017, ECLI:NL:GHARL:2017:4815, 200.152.494/01

Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst wordt op grond van 7:685 BW (oud) ontbonden. Voordat verzoekschrift tot ontbinding door werkgever werd ingediend had werknemer werkgever gedagvaard en onder meer opschoning personeelsdossier en (na eiswijziging) schadevergoeding gevorderd. Baijingsleer. Voor een deel van de vorderingen wordt werknemer niet-ontvankelijk verklaard en het andere deel wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.152.494/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 421261 \ CV EXPL 13-1007)

arrest van 6 juni 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.M. Boogaart, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Hochwald Foods B.V.,

gevestigd te Bolsward,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Hochwald,

advocaat: mr. S.M. Breukels, kantoorhoudend te ‘s-Gravenhage.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 september 2014 hier over.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 2 augustus 2013, 22 oktober 2013 en 8 april 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Bij tussenarrest van 9 september 2014 is een comparitie na aanbrengen gelast, welke op 21 oktober 2014 is gehouden. Partijen hebben op die comparitie geen overeenstemming bereikt, waarna de procedure is voortgezet.

2.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

-

de memorie van grieven (met producties),

-

de memorie van antwoord,

-

het op 1 mei 2017 gehouden pleidooi, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en aan het door [appellant] overgelegde procesdossier is toegevoegd.

Vervolgens heeft Hochwald haar procesdossier overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] , zoals laatstelijk bij akte gewijzigd, luidt:

"(...) het vonnis waarvan beroep te vernietigen, alsmede opnieuw rechtdoende, (...) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat Hochwald toerekenbaar tekort is geschoten wegens het handelen in strijd met de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst (...) en/of het niet nakomen van de op haar jegens [appellant] rustende verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst d.d. 24 april 2013, meer in het bijzonder de verplichting om [appellant] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst te houden in zijn functie van productiechef melkfabriek processing en scm kleinverpakkingen (...);

II. Hochwald te veroordelen tot betaling aan [appellant] tot een schadevergoeding ex art. 6:74 BW ad € 514.190,- bruto, (...), te vermeerderen met de wettelijke rente (...);

III. Te verklaren voor recht dat de aan het adres van [appellant] in 2012 gemaakte verwijten onder A t/m F, als genoemd in de punten 25 t/m 53 van de inleidende dagvaarding, ongegrond zijn geweest, alsmede dat [appellant] op die grond ten onrechte uit zijn functie van productiechef melkfabriek processing en scm kleinverpakkingen is ontheven en daarvoor ten onrechte een berisping heeft ontvangen op 19 september 2012 en 16 oktober 2012;

IV. Hochwald te veroordelen de stukken met betrekking tot deze verwijten en berispingen uit het personeelsdossier van [appellant] te verwijderen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom (...);

V. Hochwald te veroordelen tot rehabilitatie en eerherstel van [appellant] door aan de werknemers op de voormalige afdeling van [appellant] bij Hochwald een brief te zenden met de volgende inhoud: “In september en oktober 2012 zijn door ons aan de heer [appellant] ten onrechte ernstige verwijten gemaakt. Onder meer hebben wij hem ten onrechte beschuldigd van de SCM-besmetting die in 2012 heeft plaatsgevonden. De beschuldigingen zijn ongegrond gebleken. Wij nemen deze volledig terug”, een en ander op verbeurte van een dwangsom (...);

VI. Hochwald te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 800,-;

VII. Hochwald te veroordelen in de kosten van beide instanties, (...)

VIII. Hochwald te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 2.000,- netto, ter zake van de proceskostenveroordeling in prima, vermeerderd met de wettelijke rente (...);

IX. Hochwald te veroordelen tot betaling van de nakosten (...), bij gebreke waarvan Hochwald ook over deze nakosten de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zal zijn.”

2.4

Hochwald heeft verweer gevoerd en geconcludeerd het bestreden vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter heeft onder de randnummers 2.2 t/m 2.10 van het bestreden eindvonnis van 8 april 2014 de feiten vastgesteld. In grief I klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter de overwegingen in de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en herroeping van de in die procedure gegeven beschikking in zijn oordeel heeft betrokken. Tussen partijen zijn beide procedures gevoerd en de kantonrechter heeft in die procedures een (onherroepelijk) oordeel gegeven, zodat de kantonrechter in het eindvonnis terecht deze feiten heeft gemeld. Voor zover grief I is gericht tegen de waardering van deze feiten en de daaraan gegeven juridische gevolgen zal het hof daarop bij de behandeling van de andere grieven ingaan. Verdere bezwaren tegen die feitenvaststelling is niet gebleken. Samen met wat in hoger beroep, mede gelet op de overgelegde en niet weersproken stukken, tussen partijen is komen vast te staan, zijn de feiten als volgt.

3.2

[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 2 augustus 1971 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Hochwald. Laatstelijk werkte [appellant] in dienst van Hochwald in de functie van productiechef melkfabriek kleinverpakkingen.

3.3

Hochwald heeft sedert 1 januari 1990 een Reglement bescherming persoonsgegevens Hochwald Nederland B.V. (hierna: Reglement Persoonsgegevens). Op grond van artikel 6 van het Reglement Persoonsgegevens kan een werknemer aanvulling, verbetering of vernietiging van gegevens vragen “indien hij van mening is dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn, ten onrechte zijn opgenomen of ontbreken.” Ingevolge artikel 9 van het Reglement Persoonsgegevens worden gegevens tot uiterlijk 5 jaar nadat de rechtsverhouding met Hochwald is beëindigd uit het register verwijderd.

3.4

Op 21 september 2012 hebben [X] (fabrieksdirecteur) en [Y] (manager Productie en Techniek en leidinggevende van [appellant] ) met [appellant] gesproken over zijn functioneren en is medegedeeld dat hij niet langer als leidinggevende is te handhaven en naar een andere functie wordt overgeplaatst. Hochwald heeft het besprokene bij brief vastgelegd. In deze brief is onder meer opgenomen:

Aan de orde is geweest dat met u al langere tijd gesproken wordt over uw functioneren als leidinggevende en dat dit onder de maat blijft, (...)

U bent voor de organisatie niet langer houdbaar als afdelingschef in de melkfabriek. U bent historisch doorgegroeid vanuit procesoperator naar een leidinggevende functie. De wereld om ons heen verandert, van leidinggevenden worden eigenschappen verwacht waar u niet aan kunt voldoen (geen overall diepte inzicht in de reinigingsprocessen van uw afdeling, u houdt onvoldoende controle op werkzaamheden binnen uw afdeling, u maakt zelf te veel fouten in uw directe eigen werkzaamheden, het onvoldoende voeren van werkoverleg met uw medewerkers, het voeren van inhoudelijk goede taakgesprekken).

De SCM klacht met een schadepost van € 371.000,- heeft in uw verantwoordelijkheidsgebied plaatsgevonden. In deze kwestie bent u op de volgende punten als leidinggevende in gebreke gebleven:

-

aansturing van uw afdeling;

-

controle op uitvoering van de werkzaamheden binnen uw afdeling;

-

het naleven van op schrift gestelde procedures, cq het organiseren van juiste naleving van op schrift gestelde procedures binnen uw afdeling.

Voor ons bent u niet langer handhaafbaar als leidinggevende. We beschouwen het niet als onwil uwerzijds, maar u hebt niet (meer) de vaardigheden of het denkniveau om als leidinggevende in de zich snel veranderde omgevingen overeind te blijven en uw functie goed te vervullen.

Aangezien u vanaf 02-03-1971 in dienst bent, voelen we ons als werkgever natuurlijk wel verantwoordelijk voor uw situatie (...). We willen u daarom herplaatsen naar een minder kritische positie, waarin het leidinggevend aspect niet aan de orde komt.

(...)

3.5

In een intern memo d.d. 16 oktober 2012 heeft [X] een resumé gegeven van de volgens hem met [appellant] besproken onderwerpen in het verantwoordelijkheidsgebied van [appellant] en de aan hem gegeven kritiek. Het gaat hierbij – samengevat – om:

-

het beheersen van de artikelen rework (hergebruik van oudere producten),

-

het aansturen en motiveren van de medewerker opensteek,

-

het niet tijdig melden van incidenten volgens voorschrift aan het Wetterskip (op 18 mei 2012 en 10 september 2012),

-

het onvoldoende verantwoordelijkheid tonen bij afwijkingen van de concentratienormen reinigingsvloeistoffen en chloorniveaus,

-

geen actiegerichtheid bij herinvoeren machine-efficiencylijsten en storingslijsten,

-

diverse malen aangesproken op voorbeeldfunctie,

-

diverse malen aangesproken op slechte eindcontroles,

-

onvoldoende betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid getoond, hetgeen o.a. geleid heeft tot een falende effectieve controle van en aansturing op interne regels, waardoor een besmetting van product met een directe waarde van circa € 370.000,- is ontstaan.

3.6

[appellant] heeft tegen de overplaatsing en de daaraan ten grondslag gelegde redenen bezwaar gemaakt. [appellant] acht de gemaakte verwijten ongegrond en heeft in meerdere brieven, waaronder in de brieven van zijn gemachtigde van 20 december 2012 en 30 januari 2013, Hochwald gevraagd afstand van de aan hem gemaakte verwijten te nemen bij gebreke waarvan [appellant] een bodemprocedure zal starten. Zo schrijft de gemachtigde in de brief van 30 januari 2013 onder meer:

In december 2012 is u een overzicht verstrekt van meerdere verwijten die uw cliënte in de voorgaande periode richting mijn cliënt had gemaakt. Deze verwijten zijn in schriftelijke stukken opgenomen, waarbij het gaat om verwijten die ongegrond zijn en derhalve ten onrechte mijn cliënt blijven achtervolgen. Het is alleszins redelijk dat mijn cliënt dienaangaande de waarheid nastreeft, nadat hij eerst uw cliënte de gelegenheid heeft gegeven om van die ongegronde verwijten afstand te nemen.

Aangegeven is dat zonder afstand een bodemprocedure zal volgen. Deze procedure dient om de werkelijke toedracht van voorvallen uit het verleden boven tafel te krijgen. Dit ziet derhalve op waarheidsvinding. De waarheid in een bodemprocedure boven tafel te krijgen is enkel zinvol voor een medewerker die voor continuering van het dienstverband gaat en daartoe ook zijn dossier schoon wenst te houden van zaken die daarin niet thuis horen.(...)

Mijn cliënt is steeds helder geweest. Hij wil voortzetting van het dienstverband en het zuiver houden, juist ook door onzuiverheden met de bodemprocedure eruit te filteren. Bovendien is cliënt voorstander van mediation en heeft hij zich daartoe beschikbaar gesteld. De opdracht voor de mediator ziet niet op de waarheidsvinding over het verleden en de mediator zal daarover ook geen oordeel geven. Derhalve valt niet in te zien waarom een procedure die al eerder is aangekondigd in de weg van mediation zou staan. (...) De mediation kan niet gebruikt worden om het recht op een bodemprocedure te ontzeggen, te meer nu beiden op andere vraagstukken zien. Cliënt is overigens wel bereid om de dagvaarding op te schorten, zodat mediation op gang kan komen.”

3.7

Nadat [appellant] zich op 9 november 2012 wegens het arbeidsconflict ziek had gemeld, hebben partijen begin 2013 op advies van de bedrijfsarts een mediationtraject gevolgd, welk traject op 24 april 2013 heeft geleid tot de ondertekening door partijen van een overeenkomst, getiteld “mediation - vaststellingsovereenkomst”. Hierin zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

Artikel 1 – Resultaat van de mediation

Betrokkenen verklaren met betrekking tot het resultaat het volgende te zijn overeengekomen:

  1. Er hebben zes mediation gesprekken plaatsgevonden, waarin betrokkenen open en duidelijk met elkaar gecommuniceerd hebben. Standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken. Er is voldoende wederzijds begrip tot stand gekomen en de arbeidsverhouding is voldoende hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten.

  2. Betrokkenen zijn beiden gericht op re-integratie van [appellant] [hof: [appellant] ] op de oude werkplek en voortzetting van het dienstverband van [appellant] . Bij eventuele meningsverschillen tijden de re-integratie en/of over de wijze van re-integratie zullen betrokkenen zich volledig conformeren aan het advies van de bedrijfsarts. Het re-integratieplan is geen onderdeel van deze overeenkomst.

  3. Het is de intentie van [Y] [hof: [Y] ] om [appellant] op een correcte wijze te begeleiden naar zijn pensioen.

  4. Betrokkenen verklaren zich bereid en in staat tot het onderhouden van een professionele werkrelatie, waarin:

  1. men het niet altijd met elkaar eens hoeft te zijn;

  2. men op een professionele wijze met elkaar weet om te gaan;

  3. men met elkaar op correcte wijze informatie uitwisselt, die professioneel uit hoofde van ieders functie uitgewisseld dient te worden;

  4. op basis van de in deze overeenkomst vastgelegde afspraken en een professionele samenwerking, het vertrouwen tussen betrokkenen weer zal kunnen toenemen.

5. Betrokkenen zullen zich in de toekomst naar derden op een respectvolle wijze en zonder negatieve uitlatingen over elkaar uitspreken, zullen zich respectvol uiten over en jegens elkaar en derden over Hochwald Nederland, haar medewerkers, klanten en opdrachtgevers.

6. Betrokkenen hebben en houden de ‘blik vooruit’ en hebben oog voor wat goed is voor de organisatie Hochwald Nederland.

7. Betrokkenen hebben aangegeven tevreden te zijn met deze uitkomst en gemaakte afspraken en hiermee zal na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst de mediation worden beëindigd.

3.8

[appellant] heeft vervolgens op 15 mei 2013 de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht.

3.9

Bij brief van 30 mei 2013 heeft Hochwald aan de advocaat van [appellant] bericht dat zij een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal indienen, tenzij [appellant] voor 10 juni 2013 de door hem gestarte dagvaardingsprocedure heeft beëindigd. [appellant] trekt de uitgebrachte dagvaarding niet in, waarna Hochwald op 20 juni 2013 het ontbindingsverzoek heeft ingediend.

3.10

Bij beschikking van 26 augustus 2013 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2013 ontbonden, onder toekenning aan [appellant] van een ten laste van Hochwald komende ontbindingsvergoeding van € 125.000,- bruto. De kantonrechter heeft onder randnummer 2.17 van de beschikking melding gemaakt van de door [appellant] op 15 mei 2013 uitgebrachte dagvaarding en onder 2.23 dat [appellant] die dagvaarding tot op de datum van de beschikking niet heeft ingetrokken. Voorts heeft de kantonrechter onder meer overwogen:

5.4. De kantonrechter acht het ontbindingsverzoek van Hochwald toewijsbaar, nu Hochwald en [appellant] beiden hebben uitgesproken dat er een onhoudbare situatie tussen hen is ontstaan en dat zij geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare samenwerking. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 september 2013.

5.5.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er gronden aanwezig zijn om aan [appellant] een ontbindingsvergoeding toe te kennen en meer in het bijzonder over de vraag aan wie de vertrouwensbreuk tussen hen te wijten is. De kantonrechter volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de vertrouwensbreuk die ten grondslag ligt aan het ontbindingsverzoek is ontstaan door de omstandigheid dat Hochwald bij brieven van 21 september, 16 oktober en 19 november 2012 in toenemende mate kritiek op zijn functioneren heeft geuit. (...) partijen hebben nadien – op 24 april 2013 – een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten, waarin wordt vermeld dat de arbeidsverhouding voldoende is hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten. (...)

5.6.

Van belang is wat zich na de datum van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen heeft afgespeeld, waardoor het eerder aanwezige vertrouwen in een vruchtbare samenwerking over en weer is geschaad. Hochwald heeft in dit kader aangevoerd dat zij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking is verloren doordat [appellant] – kort nadat partijen hun geschillen hadden beslecht door middel van de vaststellingsovereenkomst – onverwachts een bodemprocedure is begonnen over de verwijten die zij hem in 2012 heeft gemaakt. [appellant] heeft hiertegenover gesteld dat hij reeds voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan Hochwald duidelijk heeft gemaakt dat een bodemprocedure zou volgen. Alhoewel de brieven van [appellant] d.d. 23 en 30 januari 2013 bevestigen dat [appellant] een bodemprocedure heeft aangekondigd en dat [appellant] heeft aangegeven deze bodemprocedure op te zullen schorten gedurende het mediationtraject, doet de tekst van de nadien gesloten vaststellingsovereenkomst vermoeden dat partijen al hun geschillen en derhalve ook het geschil over de verwijten die Hochwald [appellant] in 2012 heeft gemaakt hebben afgekaart in deze overeenkomst. In artikel 1 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst wordt immers in algemene bewoordingen bepaald dat standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken en dat de arbeidsovereenkomst voldoende is hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten. In dat licht, acht de kantonrechter het voorstelbaar dat de dagvaarding in de bodemprocedure, die volgens [appellant] is gericht op eerherstel, onverwachts kwam voor Hochwald. Dit geldt temeer nu partijen vele gesprekken met elkaar hebben gevoerd en Hochwald [appellant] een kans heeft gegeven op terugkeer in zijn eigen functie en zij daarmee tegemoet is gekomen aan de wens van [appellant] . [appellant] is ondanks de vele gesprekken met Hochwald en ondanks de geboden kans op terugkeer in zijn eigen functie kennelijk niet in staat gebleken om op een nuchtere manier met de situatie om te gaan. Door het starten van de bodemprocedure heeft hij de verhoudingen tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter onnodig op scherp gesteld. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de vertrouwensbreuk tussen partijen in overwegende mate is te wijten aan [appellant] .

5.7.

Gezien voornoemde vertrouwensbreuk kon van Hochwald – anders dan [appellant] heeft aangevoerd – niet verwacht worden dat zij onverkort zou meewerken aan de re-integratie van [appellant] in zijn eigen functie. Door meteen een ontbindingsverzoek aan te kondigen in reactie op de bodemprocedure is de handelwijze van Hochwald echter ook niet bevorderlijk geweest voor het onderlinge vertrouwen. Gelet op het mediationtraject dat partijen achter de rug hadden en de vaststellingsovereenkomst die naar aanleiding daarvan was gesloten, had het in de rede gelegen dat Hochwald eerst een gesprek met [appellant] was aangegaan over de bodemprocedure en de hierdoor ervaren beschadiging van haar vertrouwen alvorens een ontbindingsverzoek aan te kondigen.

5.8.

Op grond van het vorenstaande, alsmede gelet op de belangen van [appellant] en de overige omstandigheden van het geval, komt het de kantonrechter billijk voor dat [appellant] ten laste van Hochwald een ontbindingsvergoeding wordt toegekend van € 125.000,- bruto. (...)

3.11

[appellant] heeft een verzoek tot herroeping van de ontbindingsbeschikking ingediend. Dit verzoek is bij beschikking van 17 december 2013 afgewezen.

4 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

5 De beoordeling in hoger beroep