Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-11-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10344, 200.208.547

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-11-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10344, 200.208.547

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27 november 2018
Datum publicatie
7 december 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:10344
Formele relaties
Zaaknummer
200.208.547

Inhoudsindicatie

Verjaring van vordering op (gewezen) vennoot van adviesbureau

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.208.547/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht C/16\404359 / HA ZA 15-923

arrest van 27 november 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [PLaatsnaam Buitenland] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. drs. J. de Jong van Lier te Enschedé,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [Plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.P. Lobé te Rotterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 17 februari 2016 en 14 september 2016 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis van 14 september 2016 en alsnog toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen aan hem is voldaan op grond van het bestreden vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.1.1.

In 1999 zocht [appellant] met zijn partner [A] (hierna: [A] ) nieuwe financiering voor de koop van een ander huis. Adviesbureau [B] te Amersfoort (hierna: [B] ) heeft hen daarbij geadviseerd. [geïntimeerde] was vennoot van de vennootschap onder firma (vof) [B] .

3.1.2.

Het advies aan [appellant] en [A] betrof onder meer het beëindigen van een reeds lopende levensverzekering bij Interpolis en het aangaan van een nieuwe levensverzekering bij Generali. De medische keuring heeft plaatsgevonden op 25 januari 2000. Daarbij is gemeld dat [A] eind jaren tachtig de ziekte van Hodgkin (lymfeklierkanker) gehad had.

3.1.3.

Op 28 maart 2000 werd bij [A] de diagnose baarmoederhalskanker gesteld. Zij is daarvoor aanvankelijk met succes behandeld.

3.1.4.

De nieuwe ziekte is niet gemeld aan Generali. Deze heeft op 14 april 2000 een offerte uitgebracht, met een verhoogde premie vanwege de medische voorgeschiedenis van [A] . Op 1 augustus 2000 is het nieuwe huis overgedragen en de levensverzekering bij Generali ingegaan. Vervolgens is de bestaande verzekering bij Interpolis beëindigd.

3.1.5.

Op 1 januari 2001 is de vennootschap onder firma [B] ontbonden. De onderneming en handelsnaam zijn overgedragen aan [C] B.V., gevestigd op hetzelfde adres in Amersfoort . [geïntimeerde] was indirect directeur en groot aandeelhouder van [C] B.V..

3.1.6.

In april 2001 bleek [A] uitzaaiingen te hebben. Zij is overleden op [overlijdensdatum] .

3.1.7.

Generali heeft bij brief van 7 februari 2002 bericht dat zij weigert uit te keren, omdat niet gemeld was dat [A] ná de keuring maar vóór de ingangsdatum van de verzekering artsen had geraadpleegd en zelfs in een ziekenhuis opgenomen was geweest.

3.1.8.

Bij brief van 1 september 2005, gericht aan [B] , t.a.v. de directie, heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] [B] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het advies van [B] om de levensverzekering bij Interpolis op te zeggen en de nieuwe ziekte van [A] niet te melden aan Generali.

3.1.9.

Per 1 augustus 2004 heeft [C] de portefeuille en handelsnaam “ [B] ” verkocht aan [D] B.V. te Haarlem , een volle dochter van [E] B.V. Op 1 januari 2006 is deze handelsnaam overgedragen aan [F] B.V., een andere volle dochter van [E] . In 2008 is [C] B.V. ontbonden.

3.1.10.

Bij brief van 4 maart 2008, gericht aan de directie van [B] , heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] [B] opnieuw aansprakelijk gesteld voor de door [appellant] geleden schade op grond van een toerekenbare tekortkoming c.q. onrechtmatig handelen van [B] tegenover [appellant] .

3.1.11.

[appellant] heeft eerst [F] (mede handelend onder de naam [B] ) gedagvaard. De vordering is afgewezen door de rechtbank Utrecht bij vonnis van 24 februari 2010. Dit vonnis is door het hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem bij arrest van 17 januari 2012 bekrachtigd, kort gezegd omdat de aansprakelijkheid niet was overgegaan op [F] B.V.

3.1.12.

Bij brief van 1 maart 2013 heeft mr. De Jong namens [appellant] [geïntimeerde] als gewezen vennoot van [B] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade als gevolg van het advies om de levensverzekering bij Interpolis op te zeggen en bericht dat [appellant] zowel tegenover [B] als [geïntimeerde] zijn recht op nakoming van de verbintenis tot schadevergoeding voorbehoudt.

3.1.13.

Sinds 2014 is [geïntimeerde] statutair directeur van [F] B.V..

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

6 De slotsom

7 De beslissing