Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10438, 17/00976 en 18/00640

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10438, 17/00976 en 18/00640

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
4 december 2018
Datum publicatie
14 december 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:10438
Zaaknummer
17/00976 en 18/00640

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummers 17/00976 en 18/00640

uitspraakdatum: 4 december 2018

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 15 september 2017, nummer AWB 17/424 en 18 juni 2018, nummer AWB 17/6023, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nunspeet (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 61 te [Z] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2015 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2016 vastgesteld op € 457.000.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de vastgestelde waarde verminderd tot € 432.000.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak, per waardepeildatum 1 januari 2016 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2017 vastgesteld op € 438.000.

1.5.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.6.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.3 en 1.6 vermelde uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een vrijstaande woning, die is gelegen aan een doorgaande weg in het buitengebied van [Z] . Aan de zij- en achterkant van de woning bevindt zich tot nabij de perceelgrens een bos. Naast de woning staat op het buurperceel een grote halfopen veldschuur op 2,75 meter van de perceelgrens, waarin asbest is verwerkt.

2.2.

Belanghebbende heeft het perceel in 2006 aangekocht voor € 320.000 en vervolgens op het perceel een woning laten bouwen. De woning heeft een inhoud van 486 m3 (exclusief garage) en is gelegen op een perceel van 1721 m2. Tot de onroerende zaak behoren verder een inpandige garage, een berging, een schuur, een dierenverblijf en een hobbykasje.

2.3.

Belanghebbende heeft de resultaten van een verkeersintensiteitsonderzoek overgelegd. Hieruit volgt dat in de periode van 29 april 2014, 00:00 uur tot 6 mei 2014, 23:59 uur in totaal 2925 personenauto’s, 158 vrachtauto’s en 9 vrachtauto’s met aanhanger de onroerende zaak zijn gepasseerd. Tevens is de snelheid van de voertuigen in categorieën ingedeeld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per waardepeildata 1 januari 2015 en 1 januari 2016.

3.2.

Belanghebbende staat in hoger beroep een waarde voor van € 404.000 per waardepeildatum 1 januari 2015 en € 410.000 per waardepeildatum 1 januari 2016.

3.3.

De heffingsambtenaar verdedigt voor de waardepeildatum 1 januari 2015 de bij uitspraak op bezwaar verminderde waarde van € 432.000. Voor de waardepeildatum 1 januari 2016 verdedigt hij de bij beschikking vastgestelde waarde van € 438.000. Ter staving van deze waarden wijst de heffingsambtenaar op twee taxatierapporten van [A] waarin de waarde voor beide waardepeildata is getaxeerd op € 450.000.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken van de heffingsambtenaar en tot vermindering van de vastgestelde waarden tot respectievelijk € 404.000 en € 410.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing