Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10731, 200.202.841/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-12-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10731, 200.202.841/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 4 december 2018
- Datum publicatie
- 12 december 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:10731
- Zaaknummer
- 200.202.841/01
Inhoudsindicatie
Faillissement. Vordering curator. Bestuurdersaansprakelijkheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.202.841/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/379152/HL ZA 14-296)
arrest van 4 december 2018
in de zaak van
Ferdinand Bernard Bosvelt (thans) curator in het faillissement van [A] ,
wonende te Bunnik,
appellante,
hierna: de curator,
advocaat: mr. C.M. Tjoa, kantoorhoudend te Utrecht,
tegen
1 R 10 Cate B.V.,
gevestigd te Naarden,
hierna: R10 Cate,
2. [geïntimeerde2] ,
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde2],
geïntimeerden,
hierna gezamenlijk te noemen: R10 Cate c.s.,
advocaat: mr. D.W.J. Leijs, kantoorhoudend te Hilversum.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 februari 2018 hier over.
In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie is op 8 mei 2018 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de processtukken. Op verzoek van het hof heeft de curator na de comparitie een exemplaar van de akte van 7 januari 2016 met producties alsmede een exemplaar van de zittingsaantekeningen van de zijde van R10 Cate c.s. ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg, aan het hof toegezonden ter completering van het procesdossier.
Aan het slot van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd. Arrest is bepaald op het overgelegde procesdossier, de genoemde nagezonden stukken en het proces-verbaal van de comparitie.
De vordering van de curator in hoger beroep strekt ertoe dat de door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in eerste aanleg gewezen vonnissen van
26 augustus 2015 en 6 juli 2016 worden vernietigd, en dat de vorderingen van de curator alsnog worden toegewezen met veroordeling van R10 Cate c.s. in de kosten van beide procedures te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
2 De vaststaande feiten
Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.12 zijn, met uitzondering van rechtsoverweging 2.9, geen grieven gericht en ook verder is niet gebleken van bezwaren tegen deze vaststelling. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan, met inachtneming van de daartegen gerichte grief, aangevuld met andere niet betwiste feiten. De feiten komen op het volgende neer.
Op 21 december 2011 is de vennootschap Get Quota B.V. (hierna: GQ) opgericht. GQ had als bedrijfsactiviteit: het geven van managementadviezen aan bedrijven om de commerciële slagkracht van die bedrijven te vergroten. GQ is opgericht door L2CG Management B.V. (hierna: L2CG) en R10 Cate, die bij oprichting ieder 50% van de aandelen verkregen. [geïntimeerde2] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van R10 Cate. De heer [A] (hierna: [A] ) is enig aandeelhouder en was tot 25 april 2012 enig bestuurder van L2CG.
Vanaf de oprichting van GQ op 21 december 2011 tot 25 april 2012 waren L2CG en R10 Cate gezamenlijk bevoegd bestuurders van GQ. L2CG is op 25 april 2012 ontbonden. Sindsdien is R10 Cate enig bestuurder van GQ.
Op 21 augustus 2012 is [A] in staat van faillissement verklaard met benoeming van Gaasterland tot curator. Thans is Bosvelt de curator.
R10 Cate c.s. waren in ieder geval vanaf 30 november 2012 op de hoogte van het faillissement van [A] , aangezien [A] bij e-mail van 30 november 2012 de gegevens van de curator aan [geïntimeerde2] heeft gezonden.
In maart 2013 heeft [A] een Engelse Limited, The Sales and Marketing Company Ltd (hierna SMC), opgericht.
In zijn e-mail van 25 april 2013 heeft [geïntimeerde2] , na deze e-mail eerst aan [A] te hebben voorgelegd bij e-mail van 24 april 2013, voor zover van belang, het navolgende aan de curator geschreven:
“(...) Door de huidige situatie van [A] kan hij zich niet inzetten binnen onze organisatie Get Quota B.V. en moet hij ergens in loondienst zien te geraken. In deze startende organisatie kunt u begrijpen dat ik ook geen ontwikkelingen kan maken op deze basis. Omdat er voor mij tot op heden geen uitzicht is op een afsluitende situatie wil ik [A] als bestuurder van Get Quota BV ontslaan.
(...)
Tot slot wil ik u laten weten dat het ernaar uitziet dat ik binnenkort [A] zou kunnen aannemen als werknemer. Dit zal ik echter alleen doen als hij uit deze uitzichtloze situatie kan komen. Alleen dan kan hij zich weer volledig op zijn werk richten. (...)”
In zijn e-mail van 6 juni 2013, die is opgesteld door [A] , heeft [geïntimeerde2] , voor zover van belang, het navolgende aan de curator geschreven:
"(...) Echter kan eenieder zien dat een organisatie die slechts 18 maanden actief is en waar niet eens een behoorlijk salaris aan mij kan worden uitbetaald niet bepaald waardevol kan zijn. (...)"
In de periode van 1 september 2012 tot en met 20 december 2013 heeft [A]
door middel van contante opnames en pinbetalingen een bedrag van € 12.034,56 van de rekening van GQ opgenomen. Voorts zijn in de betreffende periode bedragen van de rekening van GQ overgemaakt naar rekeningnummer [00000] ten name van [C] (de dochter van [A] ). In totaal gaat het om een bedrag van € 27.900,-. In de betreffende periode zijn ook bedragen van de rekening van GQ overgemaakt naar rekeningnummer 8497494 ten name van SMC. Het gaat hier om een bedrag van in totaal € 53.750,-. In totaal betreffen deze opnames, betalingen en overmakingen van de rekening van GQ een bedrag van € 93.684,56.
[geïntimeerde2] heeft tijdens een op 17 januari 2014 gehouden getuigenverhoor ten
overstaan van de rechter-commissaris in het faillissement van [A] , voor zover van belang, het navolgende verklaard:
“(...)
TC: we werkten samen, GQ was van ons samen. In 2012 en 2013 heeft [A] over de volledige periode met mij samen voor GQ gewerkt als lid van het managementteam van GQ.
Dat is nooit veranderd. (...)
Onze klanten bedien ik nu onder mijn eenmanszaak RiCate. (...) Alle klanten van GQ moeten overgenomen worden naar die eenmanszaak. "Wij hebben nu nog twee klanten: Flexwise en Materia. Hij doet Materia en ik doe Flexwise (...)”.
GQ heeft de werkzaamheden die na 22 oktober 2013 zijn verricht bij Materia, niet gefactureerd. GQ heeft de werkzaamheden die bij Flexwise zijn verricht na 7 december 2013 niet gefactureerd. GQ heeft de werkzaamheden die bij CSO vanaf 21 november 2013 zijn verricht niet gefactureerd.
[A] is in de periode lopende van 1 september 2012 tot 1 januari 2014 werkzaamheden blijven verrichten voor GQ.
[A] heeft begin 2014 circa twee maanden in gijzeling gezeten omdat hij niet aan zijn informatieverplichting tegenover de curator voldeed.
Bij e-mail van 11 februari 2014 heeft de curator aan de advocaat van R10 Cate c.s. kenbaar gemaakt dat de boedel een vordering heeft op GQ en aanspraak gemaakt op betaling.
Op 27 februari 2014 heeft GQ € 10.000,- en op 3 maart 2014 heeft GQ € 3.737,11, in totaal derhalve een bedrag van € 13.737,11, aan R10 Cate betaald.