Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-02-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1424, 200.178.164

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-02-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1424, 200.178.164

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 februari 2018
Datum publicatie
16 februari 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:1424
Formele relaties
Zaaknummer
200.178.164

Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Inhoud overeenkomst. Omvang meerwerk. Cessie van de vordering van de aannemer op de opdrachtgever tot betaling van de aanneemsom en het meerwerk.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.178.164

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 327235)

arrest van 13 februari 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.E. Koster,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.A. Geuze.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 februari 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 juli 2017. Voorafgaand aan de comparitie van partijen, op 19 juni 2017, had [appellante] producties 12 en 13 ingestuurd. Het bezwaar, dat [geïntimeerde] tegen het indienen van deze producties heeft ingebracht het zou in strijd met de twee-conclusieregel zijn wordt verworpen: [geïntimeerde] klaagt er niet over dat zij niet behoorlijk in staat is gesteld om op de inhoud daarvan te reageren en de producties zijn binnen de in het landelijk procesreglement voorgeschreven termijn van veertien dagen vóór de zitting overgelegd. Voor zover de onderwerpen die in de producties worden aangesneden buiten de grenzen van het procesdebat vallen, zal de inhoud daarvan het oordeel van het hof uiteraard niet beïnvloeden, maar dat neemt niet weg dat de producties wel mochten worden ingebracht.

1.3

Bij het sluiten van de comparitie van partijen hebben partijen, die de processtukken al aanvullend aan het hof hadden overgelegd, verzocht om arrest te wijzen. Het hof heeft daarop arrest bepaald. Door andere werkzaamheden van het hof kon dit arrest niet op de daarbij bepaalde datum worden uitgesproken.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.11. van het bestreden tussenvonnis van 19 juni 2013. Samengevat en op enkele punten aangevuld met wat in hoger beroep vast is komen te staan (met name de cessie), gaat het hierbij om het volgende:

2.1

In september 2011 hebben [geïntimeerde] en de besloten vennootschap [X] B.V. (hierna: [X] ) met elkaar een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten, waarbij [X] op zich heeft genomen om tegen een vergoeding van € 170.500 exclusief BTW bestratingswerkzaamheden uit te voeren op het terrein van [geïntimeerde] . Tijdens de uitvoering van het werk is meerwerk overeengekomen en uitgevoerd, maar partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre dat het geval is. [geïntimeerde] heeft [X] uit hoofde van de overeenkomst en het meerwerk in totaal € 185.000 excl. BTW betaald.

2.2

Op 7 mei 2013 is [X] in staat van faillissement verklaard.

2.3

De curator heeft al hetgeen [geïntimeerde] uit hoofde van de overeenkomst nog aan [X] moet betalen, aan [appellante] gecedeerd. Dit is gebeurd na het eindvonnis (op pagina 1 van de hoger beroep-dagvaarding is opgemerkt dat de cessie op of omstreeks 19 augustus 2015 plaatsvond). De cessie is aan [geïntimeerde] meegedeeld voordat de hoger beroep-dagvaarding werd uitgebracht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[X] heeft [geïntimeerde] in 2012 gedagvaard tot betaling van € 39.812,05 wegens het door haar geleverde bestratingswerk. [geïntimeerde] heeft tegen deze vordering aangevoerd dat het geleverde werk gebrekkig is en dat zij de aannemingsovereenkomst op grond wanprestatie heeft ontbonden. In reconventie heeft [geïntimeerde] (voor zover nodig) de ontbinding van de overeenkomst gevorderd met veroordeling van [X] tot terugbetaling van € 66.791 en tot vergoeding van twee schadeposten ad € 99.014 en € 9.405.

3.2

Op 19 juni 2013 en op 22 januari 2014 zijn tussen [X] en [geïntimeerde] tussenvonnissen uitgesproken. Op grond van het laatste tussenvonnis is een deskundigenbericht verkregen.

3.3

Het op 15 juli 2015 uitgesproken eindvonnis is gewezen tussen enerzijds de curator in het faillissement van [X] en anderzijds [geïntimeerde] . In het dictum daarin is geen onderscheid gemaakt tussen het geschil in conventie en dat in reconventie is de overeenkomst van 12 september 2011 ontbonden, is [X] veroordeeld om aan [geïntimeerde] € 13.792 te betalen, te vermeerderen met proceskosten, en is wat verder nog werd gevorderd in conventie en in reconventie afgewezen. De toegewezen geldvordering is het resultaat van de volgende berekening:- de aanneemsom van € 170.500, - verhoogd met € 37.338 wegens opgedragen en uitgevoerd meerwerk,- verlaagd met € 36.630 wegens waardevermindering door tekortkomingen van [X] ,- verlaagd met de door [geïntimeerde] betaalde € 185.000.De vorderingen van [geïntimeerde] tot vergoeding van € 99.014 en € 9.405 wegens geleden schade zijn afgewezen.

4 De beoordeling in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

de ontvankelijkheid in hoger beroep

4.1

Het tussenvonnis van 19 september 2012 is een vonnis dat na de conclusie van antwoord is gewezen en waarin uitsluitend een comparitie van partijen is gelast. Op grond van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen een dergelijk vonnis geen hogere voorziening open. Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in haar principaal hoger beroep, voor zover dat tegen het eerste tussenvonnis is gericht.

4.2

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord incidenteel hoger beroep ingesteld. Ter comparitie in hoger beroep heeft het hof aan partijen verzocht om hun visie te geven op de gevolgen van de cessie voor het incidenteel hoger beroep. [appellante] heeft zich er voor het eerst bij die gelegenheid op beroepen dat [geïntimeerde] haar vorderingen in hoger beroep tegen de verkeerde partij heeft ingesteld en dat [geïntimeerde] daarom niet-ontvankelijk is in haar incidenteel hoger beroep. [geïntimeerde] heeft opgeworpen dat de twee conclusieregel en de goede procesorde eraan in de weg staan dat dit verweer pas ter comparitie werd geïntroduceerd.

4.3

De vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling van een gedeelte van de door haar aan [X] betaalde € 185.000 en tot vergoeding van de schade, zijn geen vorderingen op [appellante] . De cessie heeft slechts tot gevolg gehad dat [geïntimeerde] de aanneemsom en vergoeding voor meerwerk niet langer aan [X] , maar aan [appellante] zal moeten betalen. Daarbij zal [geïntimeerde] zich ook tegenover [appellante] kunnen beroepen op verrekening van die vordering, zoals zij in eerste aanleg heeft gedaan en zoals ook door de rechtbank is toegepast door (zoals het hof het dictum van het eindvonnis leest) in conventie de vordering van [X] af te wijzen en in reconventie de vordering tot terugbetaling van hetgeen [geïntimeerde] daarop teveel had betaald toe te wijzen tot het gedeelte daarvan, dat na de verrekening resteert.

4.4

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord/grieven van ‘[X]’ terugbetaling gevorderd van een deel van wat zij aan [X] heeft betaald voor het werk en voor schadevergoeding. In § 1 van die memorie van antwoord/grieven heeft zij geschreven dat zij [appellante] [X] zal noemen, maar ter comparitie heeft zij toegegeven dat het hierbij gaat om vorderingen op [X] , en niet op haar wederpartij in de procedure. De debiteur van die beweerdelijke vorderingen is [X] , die niet in de procedure is betrokken, en niet [appellante] . Door de cessie is [appellante] evenmin de debiteur van die vorderingen geworden. Het verschil tussen de posities van [X] en [appellante] is in de processtukken onderbelicht gebleven, mede doordat [geïntimeerde] in memorie van antwoord/grieven [appellante] steeds [X] heeft genoemd. [geïntimeerde] heeft daardoor [appellante] op het verkeerde been gezet en onnodig bemoeilijkt in het voeren van verweer. De procesorde verzet zich ertegen dat de tegen [appellante] ingestelde vorderingen geheel of gedeeltelijk zullen worden toegewezen.

4.5

Die vorderingen kunnen echter wel tot verrekening leiden. Daarom blijft het incidenteel hoger beroep van belang: [geïntimeerde] kan in beginsel een eventueel door haar aan [appellante] verschuldigd bedrag verrekenen met openstaande schulden van [X] aan [geïntimeerde] .Hieruit blijkt dat [geïntimeerde] ontvankelijk is in het incidenteel hoger beroep.

5 De nadere beoordeling in het principaal hoger beroep

6 De nadere beoordeling in het incidenteel hoger beroep

7 De slotsom

8 De beslissing