Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-03-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2698, 200.202.658/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13-03-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2698, 200.202.658/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 maart 2018
Datum publicatie
21 maart 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:2698
Formele relaties
Zaaknummer
200.202.658/01

Inhoudsindicatie

Nederlandse rechter is onbevoegd. Plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenissen uit overeenkomst volgens Indiaas recht, is India.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.202.658/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5565947/ CV EXPL 16-14318)

arrest van 13 maart 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] , India,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende te Bleiswijk,

tegen:

1 Stichting Bharat-Ram,

gevestigd te Almere,

hierna: de Stichting,

2. Shammikapoor Bharatsingh,

gevestigd te Drachten,

hierna: Bharatsingh,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: de Stichting c.s.

advocaat: mr. A.J.F. Gonesh, kantoorhoudende te ‘s-Gravenhage.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 september 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:- een akte van [appellante] van 31 oktober 2017 (met productie),- een akte van de Stichting c.s. van 9 januari 2018 (met productie).

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

In genoemd tussenarrest van 5 september 2017 heeft het hof de verbintenissen die de Stichting c.s. aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, aangemerkt als verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 6 sub a Rv. Het hof heeft verder geoordeeld dat de vraag waar die verbintenissen zijn uitgevoerd of dienden te worden uitgevoerd, moet worden beantwoord aan de hand van het recht van India. Het hof heeft partijen in de gelegenheid zich daarover nader uit te laten.

Terugkomen op kwalificatie verbintenis tot afgeven Bill of Lading?

2.2

Een groot deel van de akte van de Stichting c.s. (punt 14 tot en met 52) ziet op de kwalificatie van de weigering van [appellante] om de Bill of Lading aan de Stichting c.s. af te geven. Het hof heeft die weigering gekwalificeerd als een tekortkoming van [appellante] in de nakoming van zijn verplichtingen uit de mondelinge bemiddelingsovereenkomst en niet als een onrechtmatige daad. Uit de stellingen van de Stichting c.s. begrijpt het hof dat zij het hof verzoeken op die beslissing terug te komen. Het hof zal aan dit verzoek niet voldoen. De door de Stichting c.s. gestelde feiten en omstandigheden betreffen slechts een herhaling van eerdere stellingen, die door het hof in het tussenarrest zijn beoordeeld en verworpen. Het hof ziet geen reden daarover nu anders te oordelen.

Verbintenissen uit dezelfde overeenkomst?

2.3

Het hof stelt voorop dat de rechtsmachtgronden in artikel 6 Rv grotendeels zijn ontleend aan artikel 5 EEX-Verdrag (artikel 5 Brussel I en thans artikel 7 Brussel I-bis). De wetgever heeft de bepalingen deels letterlijk overgenomen, opdat de voorbeeldfunctie van deze bepalingen duidelijk tot uitdrukking komt en de reeds bestaande en de toekomstige rechtspraak van het HvJ over artikel 5 EEX een bron van inspiratie kan vormen voor de Nederlandse rechter die artikel 6 Rv moet uitleggen (MvT, Part. Gesch. Herz. Rv, p. 102-103). Voor deze zaak is van belang het arrest van het HvJ EG van 15 januari 1987, C-266/85, ECLI:EU:C:1987:11, Shevanai/Kreischer. Uit dit arrest volgt namelijk dat bij pluraliteit van verbintenissen uit eenzelfde overeenkomst ervan mag worden uitgegaan dat de voornaamste van de in geschil zijnde verbintenissen forumbepalend is. Indien aan de hand van het materiële recht dat krachtens het conflictenrecht van de aangezochte rechter op de overeenkomst van toepassing is, in dit geval Indiaas recht, geen voornaamste verbintenis valt aan te wijzen, dan geldt dat voor iedere verbintenis afzonderlijk moet worden bepaald wat de plaats van uitvoering is (zie HvJ EG 5 oktober 1999, C-420/97, ECLI:EU:C:1999:483). Versnippering van verbintenissen en bevoegde fora kan dan plaatsvinden.

2.4

Vaststaat, zoals door [appellante] gesteld en door de Stichting c.s. onvoldoende onderbouwd weersproken, dat beide in het geding zijnde verbintenissen, te weten de terugbetaling van een restantbedrag en het afgeven van de Bill of Lading, voortvloeien uit dezelfde (mondelinge) bemiddelingsovereenkomst

2.5

[appellante] stelt, onder verwijzing naar het advies van de Indiase advocaat mr. Tushar Matur, dat naar Indiaas recht de voornaamste verbintenis uit de overeenkomst tussen partijen de bemiddeling van [appellante] bij de productie, aankoop en het transport van de moorties is. Dit wordt door de Stichting c.s. niet, althans onvoldoende onderbouwd betwist.

De Stichting c.s. betwisten weliswaar dat de verbintenis tot het afgeven van de Bill of Lading als een verbintenis uit overeenkomst kan worden aangemerkt, maar aan die betwisting gaat het hof onder verwijzing naar rechtsoverweging 5.10 van het tussenarrest voorbij.

2.6

[appellante] stelt verder dat naar Indiaas recht voor de plaats van uitvoering van alle verbintenissen uit een overeenkomst doorslaggevend is de plaats van uitvoering van de voornaamste verbintenis uit die overeenkomst, in dit geval de bemiddeling van [appellante] . De op de bemiddeling betrekking hebbende werkzaamheden, waaronder het leggen van contacten met de producent, toezicht houden op de productie, verrichten van betalingen en voldoen van belastingen, dienden door [appellante] in India te worden uitgevoerd, zodat op grond van genoemde aanknopingspunten naar Indiaans recht India moet worden aangemerkt als de plaats van uitvoering van de hoofdverbintenis. De daaruit volgende verplichtingen van [appellante] , waaronder de gestelde verplichting tot terugbetaling van een restantbedrag en het afgeven van de Bill of Lading, volgen volgens [appellante] naar Indiaas recht deze hoofdverbintenis, zodat ook ten aanzien van die verbintenissen geldt dat deze in India dienden te worden uitgevoerd.

2.7

Dat de voornaamste verbintenis uit de overeenkomst de bemiddeling is en dat deze verbintenis in India diende te worden uitgevoerd, wordt door de Stichting c.s. niet betwist. De consequenties daarvan worden door de Stichting c.s. niet (expliciet) besproken. Het advies van het IJI bevat op dit punt geen nadere informatie, nog daargelaten dat het advies, in tegenstelling tot het advies van mr. Tushar Matur, weinig stellig is.

2.8

Dit alles overziend, is het hof van oordeel dat de Stichting c.s. gelet op de onderbouwde betwistingen van [appellante] onvoldoende hebben onderbouwd dat naar Indiaas recht de aan hun vorderingen ten grondslag liggende verbintenissen in Nederland dienden of dienen te worden uitgevoerd. Door de Stichting c.s. zijn daarvoor geen, althans onvoldoende concrete aanknopingspunten gegeven. De door [appellante] aangevoerde grieven slagen.

3 Slotsom

4 De beslissing