Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-05-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4448, 200.191.016
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-05-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:4448, 200.191.016
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 mei 2018
- Datum publicatie
- 25 mei 2018
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2018:4448
- Zaaknummer
- 200.191.016
Inhoudsindicatie
Hoger beroep; aansprakelijkheid bestuurders jegens stichting wegens besluit tot en monitoring van nieuwbouw? beslissingsmaatstaf bestuurdersaansprakelijkheid; beslissingsmaatstaf tegenstrijdig belang; andere belangenverstrengeling?
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.191.016
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 383958)
arrest van 15 mei 2018
in de zaak van
de stichting
Stichting Installatiewerk Midden,
gevestigd te Utrecht,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: IWM,
advocaat mr. S.M.J. Heeren,
tegen:
1 [geïntimeerde 1] ,
2 [geïntimeerde 2],
3 [geïntimeerde 3],
4 de gezamenlijke erfgenamen van [geïntimeerde 4],
5 [geïntimeerde 5],
6 [geïntimeerde 6] en
7 [geïntimeerde 7],
wonende te respectievelijk [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , (bij leven:) [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , [plaatsnaam] , en [plaatsnaam] ,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. D.F. Spoormans.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 juli 2017 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit:
- de inzending namens [geïntimeerden] bij brief met H12-formulier van 19 maart 2018 van producties 97 tot en met 99, waartegen IWM desgevraagd verklaarde geen bezwaar te hebben, zodat daarvan akte werd verleend;
- hetgeen is voorgevallen ter comparitie van 4 april 2018, waarbij de advocaten de standpunten hebben uiteengezet aan de hand van door hen overgelegde notities.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op het door IWM voor de comparitie overgelegde dossier).
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rov. 3.1 tot en met 3.44 van het eindvonnis van de rechtbank van 27 januari 2016.
De grieven van IWM tegen de volgens haar niet altijd correcte en niet volledige weergave van de feiten in het eindvonnis zullen waar nodig aan de orde komen bij de inhoudelijke beoordeling van haar verwijten aan [geïntimeerden]