Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-09-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7931, 200.205.408/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-09-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7931, 200.205.408/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
4 september 2018
Datum publicatie
6 september 2018
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:7931
Zaaknummer
200.205.408/01

Inhoudsindicatie

Ontbinding van huurovereenkomst wegens ontoelaatbaar gedrag tegenover medewerkers van verhuurder, onevenredige belasting van de organisatie van verhuurder, hardnekkig en structureel verzamelgedrag en betalingsachterstand houdt in hoger beroep stand. Geen verzuim bij verhuurder betreffende een toezegging in een vaststellingsovereenkomst uit 2010 over het eenmalig aanbieden van specifieke woonruimte. Geen aanspraak op verhuiskostenvergoeding en geen aanspraak op vergoeding van betaalde huur voor garageboxen, gebruikt voor de opslag van de uit de in 2010 verlaten woning verwijderde voorwerpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.205.408/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4597289 \ CV EXPL 15-15505)

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.T. Bakker, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting Nijestee,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Nijestee,

advocaat: mr. C.E. van der Wijk, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 3 februari 2016, 20 juli 2016 en 25 oktober 2016 die kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna ook: de kantonrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 december 2016 en het daarop uitgebrachte herstelexploot van 8 december 2016,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, met producties.

2.2

[appellant] is in de gelegenheid gesteld om zich over de bij memorie van antwoord overgelegde producties uit te laten, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.3

Partijen zijn tevens in de gelegenheid gesteld verhinderdata op te geven voor een meervoudige comparitie van partijen, welke data niet zijn opgegeven. De toenmalige advocaat van [appellant] heeft zich onttrokken, waarna [appellant] vergeefs de gelegenheid is geboden een procesvertegenwoordiger te stellen.

2.4

Vervolgens heeft Nijestee de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Daarna heeft mr. Bakker zich als advocaat voor [appellant] gesteld.

2.5

[appellant] vordert in het hoger beroep de vernietiging van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 25 oktober 2016 en opnieuw rechtdoende alsnog de toewijzing van zijn vordering en alsnog de afwijzing van de vordering van Nijestee, onder veroordeling van Nijestee in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.5 van het vonnis van 20 juli 2016. Geen van partijen heeft hiertegen een grief gericht of anderszins bezwaar gemaakt. Deze feiten zijn aangevuld met wat in hoger beroep verder is gesteld en onbestreden is gebleven alsmede met de onbetwiste inhoud van de overgelegde producties. In hoger beroep staat dan het volgende vast.

3.1

Sedert de jaren 80 van de vorige eeuw huurt [appellant] een woning van (rechtsvoorgangers van) Nijestee. Gedurende deze periode hebben partijen meerdere procedures zowel bij de huurcommissie, bij de kantonrechter en de voorzieningenrechter tegen elkaar gevoerd. De woning aan de [a-straat] 180A is aan [appellant] in huur gegeven als uitkomst van een dading die partijen hebben getroffen in het kader van een ontruimingsprocedure in 2010. [appellant] weigerde toentertijd de woning aan de [b-straat] 27A te [A] te ontruimen die in het kader van een wijkvernieuwingsoperatie gesloopt moest worden. Onder grote tijdsdruk heeft Nijestee destijds met [appellant] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder meer het volgende is overeengekomen:

“3. Nijestee zal per 21 april 2010 de woning aan de [a-straat] 180a te [A] gestoffeerd (vloerbedekking en gordijnen) aan [appellant] opleveren. Het gaat daarbij om tijdelijke woonruimte.

4. Nijestee zal terzake van de herinrichting van voornoemde tijdelijke woning 600 euro aan [appellant] betalen.

5. Voorts zal Nijestee terzake van verhuiskosten 600,00 euro aan [appellant] betalen. Nijestee heeft zich daarnaast bereid verklaard de verhuizing naar die tijdelijke woning zelf te organiseren. Nijestee zal terzake van de herinrichting van voornoemde tijdelijke woning € 600 aan [appellant] betalen. Indien daarmee meer kosten zijn gemoeid dan eerder genoemde verhuiskosten van 600,00 euro zal het meerdere in mindering worden gebracht op de hierna te noemen verhuiskostenvergoeding. [....]

6. Nijestee verplicht zich om eenmaal een aanbod te doen aan [appellant] met betrekking tot een door hem te huren bovenwoning aan de [c-straat] . Indien [appellant] verhuist naar die bovenwoning zal aan hem een verhuiskostenvergoeding worden betaald van 5350,00 euro, zulks onder verrekening van de meerkosten als bedoeld in artikel 5.”

3.2

Er zijn moeilijkheden tussen partijen ontstaan in de uitvoering van de getroffen

regeling, onder meer omdat de door Nijestee te ontruimen woning van [appellant] ''tjok- en

tjokvol" bleek te zijn: er zijn 30 verhuisdozen afgeleverd bij de nieuwe woning van [appellant] , 780 verhuisdozen (120 m3) met inboedel werd destijds opgeslagen in Leek en

40 m3 ernstig vervuilde zaken zonder enige waarde -waaronder ook huisvuil- heeft Nijestee

laten afvoeren naar de vuilstort. Omdat partijen geen overeenstemming wisten te bereiken

wat er met de opgeslagen inboedel moest gebeuren, heeft [appellant] om uit de ontstane

impasse van toen te geraken, een kort geding tegen Nijestee gevoerd. De voorzieningenrechter heeft op 15 november 2010 tussen partijen een vonnis gewezen. In zijn

vonnis geeft de voorzieningenrechter aan dat naar zijn oordeel beide partijen schuld hebben

aan de ontstane situatie en boter op het hoofd hebben. Hij heeft Nijestee veroordeeld

om binnen 14 dagen na betekening van dat vonnis de zaken van [appellant] , die zich in opslag

in Leek bevonden voor rekening van Nijestee over te brengen naar een door [appellant]

aangewezen plaats van opslag in Groningen en een aantal nevenvoorzieningen toegewezen.

3.3

[appellant] huurt een viertal garageboxen aan de [d-straat] 8 te [A]

sedert 15 december 2010. De opgeslagen inboedel uit Leek is door Nijestee overgebracht

naar deze garageboxen.

3.4

Nijestee heeft nimmer een woning aan de [c-straat] aan [appellant] aangeboden. Zij

heeft in 2011 een woning aan de [c-straat] aan een derde verkocht.

3.5

[appellant] heeft bij brief van 5 mei 2014 (voor het eerst) aan Nijestee verzocht om de

redenen op te geven waarom aan hem geen woning aan de [c-straat] werd gegeven bij het vrijkomen ervan.

3.6

Een uitvoerder van Nijestee heeft in verband met een door [appellant] bij Nijestee gemelde lekkage op 15 februari 2016 een huisbezoek afgelegd aan de woning van [appellant] . In het daarvan opgemaakte verslag is onder meer vermeld:

“Het stinkt heel erg in de woning. De hele woning staat vol. Heel veel beeldjes en meubeltjes en kastjes. Woning is een pakhuis. Bij brand groot probleem. Mede gezien de leeftijd van [appellant] . Bij brand kan hij nooit op tijd wegkomen.

(...)

De woning was vies, er staan veel spullen, het stinkt. Er kan net bij het aanrecht gelopen worden, het balkon is niet bereikbaar. Alle kamers staan erg vol.”

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

6 De slotsom

7 De beslissing