Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10345, 200.256.387
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10345, 200.256.387
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 3 december 2019
- Datum publicatie
- 9 december 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:10345
- Zaaknummer
- 200.256.387
Inhoudsindicatie
Registratie van persoonsgegevens in het Centraal Kredietinformatiesysteem (CKI) van de Stichting Bureau Kredietregistratie (BKR) is aan te merken als registratie op grond van een wettelijke plicht, als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c van de AVG. De betrokkene staat dan niet het in artikel 17 AVG neergelegde recht op gegevenswissing ter beschikking en ook niet het in artikel 21 AVG neergelegde recht van bezwaar. Ook dan dient de verwerking van persoonsgegevens echter te voldoen aan de eisen proportionaliteit en subsidiariteit en is, gelet op de aard van de inbreuk op de privacy, een belangenafweging van geval tot geval nodig. Dit geldt ook indien buiten de in artikel 79 AVG in verbinding met artikel 35 UAVG vermelde termijn van zes weken een verzoek tot verwijdering is gedaan.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.256.387
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 473276
arrest in kort geding van 3 december 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. K.J. Zomer,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant] ,
tegen:
1 de naamloze vennootschapING Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. T.J.P. Jager,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidInternational Card Services B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. R.A. van Weelderen,
3. de coöperatie
Coöperatieve Rabobank U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. F.J. Laagland,
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk: ING c.s. en afzonderlijk ING, ICS, respectievelijk Rabobank.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst naar zijn arrest van 9 juli 2019 voor het verloop van het geding in eerste aanleg en het verloop tot dan toe van het geding in hoger beroep.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de op 10 september 2019 gehouden meervoudige comparitie van partijen.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis.