Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717, 200.222.324/01 en 200.222.187/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717, 200.222.324/01 en 200.222.187/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 december 2019
- Datum publicatie
- 17 december 2019
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:10717
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1534, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.222.324/01 en 200.222.187/01
Inhoudsindicatie
Schade door aardgaswinning. Vordering tot vergoeding van vermogensschade wegens gemist woongenot en tot vergoeding van immateriële schade.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummers gerechtshof 200.222.324/01 en 200.222.187/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/109028 en C/19/109680)
arrest van 17 december 2019
in de zaak met zaaknummer 200.222.324/01 van
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaten: mr. M.A. Leijten en mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde1] ,
wonende te [A] ,
en 103 andere natuurlijke personen zoals vermeld in het aan dit arrest gehechte appelexploot van 24 mei 2017,
hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde1] e.a., of eisers,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eisers,
advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen,
en in de zaak met zaaknummer 200.222.187/01 van
Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: NAM,
advocaten: mr. M.A. Leijten en mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde2] ,
wonende te [B] ,
en 22 andere natuurlijke personen zoals vermeld in het aan dit arrest gehechte appelexploot van 24 mei 2017,
hierna ook gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde1] e.a., of eisers,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eisers,
advocaat: mr. P.W. Huitema, kantoorhoudend te Groningen.
1 De gang van zaken in de procedure bij de rechtbank
In het vonnis van de rechtbank van 1 maart 2017 staat hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen tussen [geïntimeerde1] e.a. en NAM. In de procedure bij de rechtbank waren [geïntimeerde1] e.a. de eisers, NAM was de gedaagde.
2 2. De gang van zaken in de procedure bij het hof
In de procedure bij het hof zijn de volgende processtukken ingediend:- de dagvaardingen in hoger beroep in de zaken van [geïntimeerde1] e.a.;- de memorie van grieven van NAM (met bijlagen);- de memorie van antwoord, ook memorie van eis in incidenteel hoger beroep van e.a. (met bijlagen);- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van NAM (met bijlagen);- de akte vermeerdering van eis van [geïntimeerde1] e.a.; - de akte bezwaar vermeerdering van eis van NAM;- de rolbeschikking van het hof van 4 september 2018.
Het hof heeft in de beschikking van 4 september 2018 beslist dat [geïntimeerde1] e.a. hun eis niet mogen wijzigen of vermeerderen. Het hof zal dus beslissen over de vorderingen die [geïntimeerde1] e.a. hebben ingesteld in hun memorie van antwoord, ook memorie van eis in incidenteel hoger beroep.
Op 4 november 2019 is een pleidooi gehouden. Wat er is gebeurd tijdens dit pleidooi, is vastgelegd in een proces-verbaal. Dat proces-verbaal hoort ook bij de processtukken, net als de pleitnotities van de advocaten van de NAM en van [geïntimeerde1] e.a.
Aan het einde van het pleidooi is een datum vastgesteld waarop het hof het arrest zal uitspreken.
3 Waar het in deze procedure om gaat
[geïntimeerde1] e.a. zijn of waren eigenaar en/of bewoner van een woning in of in de omgeving van het gebied waar aardgas wordt gewonnen. In dat gebied, het Groningenveld, vinden aardbevingen plaats door de aardgaswinning. [geïntimeerde1] e.a. vinden dat zij door deze aardbevingen niet alleen materiële schade aan hun woningen lijden (door beschadiging van de woning en/of door waardevermindering). Zij vinden dat zij ook recht hebben op vergoeding van vermogensschade vanwege het gemis aan een ongestoord woongenot en dat zij recht hebben op smartengeld (vergoeding van immateriële schade).
In deze procedure gaat het er vooral om of [geïntimeerde1] e.a. voldoende hebben onderbouwd dat zij recht hebben op betaling van smartengeld en op vergoeding van vermogensschade vanwege het missen van woongenot door (de gevolgen van) de aardbevingen. Is het nodig dat dat voor alle eisers afzonderlijk wordt beslist op grond van hun hoogstpersoonlijke situatie, of is voldoende dat vaststaat dat de eisers aan bepaalde vereisten voldoen? En, wanneer dat niet voor alle eisers vaststaat, hoe moet het dan verder? Moeten hun vorderingen dan worden afgewezen, of moet de procedure voor die eisers dan worden voortgezet (en op welke manier)? Verder zal het hof in dit arrest beslissen over een paar andere geschilpunten tussen NAM en [geïntimeerde1] e.a. Sommige eisers hebben met NAM een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst is een bepaling opgenomen waarin staat dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben (een beding van finale kwijting). NAM en [geïntimeerde1] e.a. zijn het er niet over eens of dat betekent dat die eisers geen recht hebben op vergoeding van de schade die zij in deze procedure vorderen.