Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10780, 200.217.001/01 en 200.217.002/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-12-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10780, 200.217.001/01 en 200.217.002/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12 december 2019
Datum publicatie
18 december 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:10780
Zaaknummer
200.217.001/01 en 200.217.002/01

Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap en geen partneralimentatie conform echtscheidingsconvenant van 2005, behorend bij de echtscheidingsbeschikking uit 2006 die nimmer is ingeschreven.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.217.001/01 en 200.217.002/01

(zaaknummers rechtbank Overijssel C/08/178954 / ES RK 15-3872 en C/08/184603 ES RK 16-1233)

beschikking van 12 december 2019

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Schriemer te Zwolle,

en

[de man] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verder te noemen: de man,

advocaat voorheen: mr. V.N. Sakkers te Amstelveen,

thans zonder bijstand van een advocaat.

1 Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Voor het verloop van het geding tot 8 mei 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

2.2

Nadien zijn de volgende processtukken ontvangen:

- een journaalbericht van mr. Schriemer van 7 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Schriemer van 15 mei 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Schriemer van 7 oktober 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Schriemer van 15 oktober 2019 met productie(s).

2.3

Op 18 oktober 2019 is de mondelinge behandeling voortgezet. De vrouw is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van haar persoonlijk begeleider. De man is niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1998 te [B] (Indonesië) met elkaar gehuwd. Er was sprake van een gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren.

3.2

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.3

Namens partijen is op 11 september 2006 een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding bij de toenmalige rechtbank Zwolle-Lelystad ingediend. Daarbij is een convenant van september 2005 overgelegd, met het verzoek de daarin opgenomen verdeling van de gemeenschap van goederen vast te leggen. In dit convenant staat – voor zover van belang – dat de man de huwelijkse schulden van circa € 21.500,- zal voldoen onder vrijwaring van de vrouw, waardoor de man geen draagkracht heeft voor partneralimentatie, terwijl de vrouw verwacht na enige tijd bijstand te hebben ontvangen in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Ieder van partijen behoudt de roerende zaken waarover hij/zij inmiddels beschikt, met uitzondering van een aantal nog door de man aan de vrouw beschikbaar te stellen zaken. Tenslotte is vastgelegd dat de regeling niet veranderd kan worden op grond van onvoorziene omstandigheden en dat partijen een beding van niet‐wijziging zijn overeengekomen.

3.4

Bij beschikking van 8 november 2006 is de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank vastgesteld dat de gemeenschap van goederen van de man en de vrouw wordt verdeeld, zoals staat vermeld in het tussen hen gesloten convenant, waarvan een afschrift aan de beschikking is gehecht. De echtscheidingsbeschikking is abusievelijk niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5

Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank Overijssel op 18 november 2015, heeft de man verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de echtscheiding uit te spreken, de algehele verdeling van toepassing te verklaren wat betreft de gemeenschap van goederen en te bepalen dat het echtscheidingsconvenant van september 2005 onderdeel zal uitmaken van de beschikking. De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de man een partneralimentatie van € 2.100,- per maand zal voldoen en partijen te veroordelen tot verrekening/verdeling over te gaan.

3.6

De echtscheiding is opnieuw uitgesproken bij beschikking van 13 juli 2016 onder aanhouding van de beslissing met betrekking tot de partneralimentatie en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Deze echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 22 juli 2016.

4 De omvang van het geschil

4.1

In de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 6 maart 2017 heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap als volgt vastgesteld: aan ieder van partijen worden, zonder nadere vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling, toegedeeld de vermogensbestanddelen waarover ieder van hen thans feitelijk reeds beschikt. Daarnaast heeft de rechtbank partijen veroordeeld over en weer op eerste verzoek van de ander, mee te werken aan (een) te wijzigen tenaamstelling(en) respectievelijk aan notariële levering van onroerende zaken, zodat deze uitsluitend op naam komen te staan van degene, die hierover thans feitelijk reeds beschikt. Tenslotte heeft de rechtbank het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2

De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 6 maart

2017. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking van 6 maart 2017 te vernietigen

en, - zo begrijpt het hof - opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden, de verzoeken van de vrouw alsnog toe te wijzen, ten aanzien van de boedelverdeling een verdeling bij helfte te gelasten en de man te bevelen ex artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) stukken over te leggen die inzage geven in zijn activa en passiva alsmede een bedrag aan alimentatie van € 2.100,- per maand vast te stellen, althans een bedrag dat het hof in goede justitie juist acht.

5 De motivering van de beslissing

6 De slotsom

7 De beslissing