Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7327, 200.233.967/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-09-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7327, 200.233.967/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10 september 2019
Datum publicatie
12 september 2019
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:7327
Zaaknummer
200.233.967/01

Inhoudsindicatie

Regresvordering hoofdelijk schuldenaar en schuldoverneming door derde.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.233.967/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/175129 / HA ZA 17-85)

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.M.J. van de Sande, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.S. Slinkman, kantoorhoudend te Hoogezand.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 maart 2019 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 8 juli 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in het in eerste aanleg door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 8 november 2017 tussen partijen gewezen vonnis. Voor zover in dit hoger beroep van belang, en aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder is komen vast te staan, gaat het om het volgende:

2.2

Op 24 april 2007 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een financieringsovereenkomst gesloten met Rabobank, waarbij Rabobank hen hoofdelijk een lening van € 160.000,- heeft verstrekt en [appellant] en [geïntimeerde] zich hoofdelijk tot terugbetaling en rentebetalingen hebben verbonden jegens Rabobank. Tot zekerheid diende een door [appellant] en [geïntimeerde] aan Rabobank verleend recht van hypotheek op een tweetal bedrijfspanden, waaronder een pand aan de [a-straat] te [A] .

2.3

Op 29 december 2010 hebben [appellant] en [geïntimeerde] de besloten vennootschap Cosatho B.V. opgericht (hierna: Cosatho). Blijkens de akte van oprichting van Cosatho zijn de oprichters overeengekomen dat zij hun aandelen zullen volstorten door inbreng in de vennootschap van het bedrijfspand aan de [a-straat] te [A] . De afzonderlijke notariële akte van inbreng van dezelfde datum (met [appellant] en [geïntimeerde] als partijen, mede namens Cosatho) bevat onder meer de volgende bepalingen (waarbij met de inbrenger wordt bedoeld [appellant] en [geïntimeerde] tezamen dan wel ieder afzonderlijk):

II. INBRENG

Levering

Ter voldoening aan zijn stortingsverplichting levert de inbrenger hierbij aan de vennootschap, die van de inbrenger aanneemt, als storting op de aandelen, volgens de hierna bedoelde beschrijving:

het bedrijfspand met woonhuis (...) [a-straat] (...) te (...) [A] (...)

hierna ook te noemen: “het registergoed”.

(...)

Hypotheekschuld

Het registergoed is bezwaard met een volgende hypothecaire inschrijving ten behoeve van:

1. De naamloze vennootschap Rabohypotheekbank N.V. (...);

2. De coöperatie Coöperatieve Rabobank Noord-Groningen U.A. (...);

hierna ook te noemen: “de hypotheekhouder”,

(...)

Overname hypotheekschuld

De inbrenger levert het registergoed aan de vennootschap onder de verplichting voor de vennootschap om voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen: alle passiva die volgens de overeenkomst voor rekening van de vennootschap komen, volgens de hierna bedoelde beschrijving. Daartoe behoort de hiervoor bedoelde hypothecaire schuld. De vennootschap neemt de hiervoor vermelde passiva voor haar rekening onder vrijwaring van de inbrenger voor alle aanspraken hierop.

(...)

Medewerking hypotheekhouder

Van de instemming tot deze inbreng, levering en schuldoverneming - op grond van artikel 6:155 in verband met artikel 6:157 Burgerlijk Wetboek – van de hypotheekhouder blijkt uit een schrijven, de dato * december 2010, dat aan deze akte is gehecht.

(...)”

2.4

Rabobank heeft niet ingestemd met de overname van de schuld door Cosatho (waarbij onduidelijk is of die instemming is gevraagd).

2.5

Per brief van 14 februari 2012 heeft Rabobank de financiering opgezegd en heeft zij van partijen betaling gevorderd van de openstaande bedragen.

2.6

Op 13 maart 2012 is er via een girale geldovermaking vanaf een bankrekening op naam van [appellant] een bedrag van € 265.000,- betaald aan Rabobank. Rabobank heeft dit bedrag afgeboekt op verschillende schulden, zowel van [appellant] alleen als van [appellant] en [geïntimeerde] gezamenlijk. Ten gunste van partijen is hiermee als volgt afgelost bij Rabobank:

- een bedrag van € 70.000,- ter zake de sub 2.2 bedoelde financiering;

- een bedrag van € 748,91 en van € 2.025,23 ter zake van twee bankrekeningen op naam van [appellant] en [geïntimeerde] gezamenlijk (zogeheten en/of rekeningen).

2.7

Cosatho heeft nadien tweemaal een bedrag van € 5.000,- op de bankrekening van [appellant] overgemaakt. Bij de afschrijvingen staat vermeld: “Aflossing op lening verstrekt [appellant] van 70.000” en “Terugbetaling Lening [appellant] 70.000”.

2.8

[appellant] heeft [geïntimeerde] meermalen gesommeerd om hem een bedrag van € 36.387,07 te betalen. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij op grond van de betalingen aan Rabobank een regresvordering op [geïntimeerde] heeft.

2.9

[geïntimeerde] heeft dit bedrag niet betaald.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 40.547,33 te vermeerderen met wettelijke rente over

€ 36.387,07 vanaf 1 maart 2017 en voorts tot betaling van de proceskosten.

3.2

Daartoe heeft [appellant] kort samengevat gesteld dat van het door hem aan Rabobank betaalde bedrag € 70.000,- is afgeboekt op de onder 2.2 genoemde financiering (waarmee deze volledig is afgelost) en € 2.774,14 is afgeboekt op (naar het hof begrijpt: de debetstand van) twee gezamenlijke rekeningen (waarvoor partijen eveneens hoofdelijk waren verbonden) en dat hij op grond van artikel 6:10 lid 2 BW een regresrecht heeft op [geïntimeerde] voor het meerdere van zijn aandeel in hun onderlinge verhouding, te weten de helft ad € 36.387,07. Verder heeft hij gesteld dat [geïntimeerde] hem vanaf 20 januari 2016 wettelijke rente over genoemd bedrag verschuldigd is, evenals buitengerechtelijke incassokosten en kosten voor het indienen van een verzoekschrift tot beslaglegging onder [geïntimeerde] .

3.3

[geïntimeerde] heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg onder meer aangevoerd dat de betalingen aan Rabobank zijn gedaan door Cosatho, met geld geleend van [appellant] . [appellant] heeft daarom een vordering op Cosatho, aldus [geïntimeerde] .

3.4

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 november 2017 de vorderingen van [appellant] afgewezen, overwegende dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld tegenover het verweer van [geïntimeerde] dat de betaling namens Cosatho werd verricht, en dat daarom niet vast is komen te staan dat [appellant] € 70.000 aan Rabobank heeft betaald, zodat aan een regresvordering niet wordt toegekomen. De rechtbank heeft [geïntimeerde] wel veroordeeld tot betaling van € 1.387,07,- met wettelijke rente, zijnde de helft van de betalingen ten aanzien van de en/of rekeningen op naam van [appellant] en [geïntimeerde] gezamenlijk, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

5 Slotsom

6 De beslissing