Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10667, 200.253.262
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-12-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10667, 200.253.262
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 december 2020
- Datum publicatie
- 24 december 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:10667
- Formele relaties
- Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2021:1720
- Zaaknummer
- 200.253.262
Inhoudsindicatie
Hoger beroep van ECLI:NL:RBMNE:2018:4705; derdengeldrekening of kwaliteitsrekening notaris; prejudiciële vraag aan HR:
is het Kadaster voor zijn vorderingen wegens inschrijvingskosten en recherchekosten rechthebbende in de zin van artikel 25, derde lid, van de Wet op het notarisambt op (een aandeel in) de kwaliteitsrekening(-en) van een notaris?
artikel 392 Rv
artikel 25 Wet op het notarisambt
KNB Reglement beperking uitbetaling derdengelden (BUD)
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.253.262
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 445059)
arrest van 22 december 2020
in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Dienst voor het Kadaster en de openbare registers,
zetelend te Apeldoorn,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: het Kadaster,
advocaat: mr. D.J. Posthuma,
tegen:
[geïntimeerde] ,
wonende te [A] ,
geïntimeerde
in eerste aanleg: (naast faillissementscurator mr. H. Dulack mede-)gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. I.R. Köhne.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 juli 2020 hier over. Daarin heeft het hof een comparitie van partijen gelast.
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte overlegging producties met producties H3 tot en met H7 van 16 november 2020 aan de zijde van het Kadaster;
- de spreeknotitie van mr. Posthuma van 16 november 2020;
- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 16 november 2020.
Vervolgens hebben partijen op basis van de door het Kadaster voor de comparitie overgelegde stukken arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
Notariële Diensten Bewind & Executele (N.D.B.E.) B.V. exploiteerde een notariskantoor (hierna: Anotaris). Anotaris is op 5 juli 2016 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. H. Dulack tot curator (hierna: de curator).
Een notaris is verplicht (op grond van artikel 25 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna)) een bijzondere rekening aan te houden, ook wel kwaliteitsrekening genoemd. Die rekening staat op zijn naam met vermelding van zijn hoedanigheid en is uitsluitend bestemd voor gelden die de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Ook Anotaris beschikte over een dergelijke kwaliteitsrekening.
Het Kadaster factureert periodiek aan iedere notaris die aktes ter inschrijving heeft aangeboden de daarvoor verschuldigde kadastrale rechten en de verschuldigde vergoedingen voor inzagen in het kadaster (recherches).
In de periode van 29 maart 2016 tot en met 26 september 2016 heeft het Kadaster aan Anotaris voor ongeveer € 140.000,00 gefactureerd wegens kadasterkosten (inschrijvingskosten en recherchekosten). Vanaf 29 maart 2016 zijn de rekeningen van het Kadaster niet meer betaald.
Anotaris zond als regel aan de partij die het aanging een nota van afrekening met daarin onder meer vermeld de overdrachtsbelasting en onder de kosten van levering: honorarium leveringsakte, recherchekosten kadaster en (onbelaste) inschrijvingskosten levering (zie productie 5 bij memorie van antwoord).
Bij Anotaris was mr. Broos de feitelijk handelende notaris. Hij was formeel
waarnemer in het protocol van mr. Langerwerf. Mr. Broos is per 19 juni 2016 geschorst als
notaris.
[geïntimeerde] is van 27 juni 2016 (om 23.59 uur) tot en met 6 juli 2016 als notaris benoemd tot waarnemer in het protocol van mr. Broos.
Na de faillietverklaring heeft de curator op 14 juli 2016 een bedrag van € 316.424,22 overgemaakt van een spaarrekening die gekoppeld was aan een lopende betaalrekening op naam van Anotaris (die de curator niet als kwaliteitsrekening aanmerkte) naar die bijbehorende betaalrekening en vervolgens naar de boedelrekening.
De gelden op die spaarrekening stonden in de boekhouding van Anotaris geadministreerd als derdengeld. Volgens [geïntimeerde] is zo een tekort in de bewaring op de kwaliteitsrekening(-en) ontstaan. Dat tekort is volgens hem per 19 juli 2016 berekend op € 167.265,00.
De curator heeft de onderneming voortgezet tot 22 augustus 2016. Per die datum is [geïntimeerde] , na andere waarnemers, opnieuw benoemd tot waarnemer in het protocol, nu van mr. Langerwerf. Als zodanig was en is [geïntimeerde] beheerder van de kwaliteitsrekening(-en) van Anotaris.
Aan het Kadaster zijn vanaf de kwaliteitsrekening(-en) na faillissement geen betalingen gedaan. Aan cliënten van Anotaris zijn wel betalingen vanaf die rekening(-en) gedaan. Op de kwaliteitsrekening(-en) staat thans nog een bedrag van in totaal € 6.225,51.
3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
Het Kadaster vorderde (na wijziging van eis) in deze procedure in eerste aanleg:
primair:
I een verklaring voor recht dat de kadastrale rechten zoals gefactureerd en onbetaald
gelaten, aan het Kadaster toekomende derdengelden zijn als bedoeld in artikel 25 Wna, althans aan het Kadaster toekomen c.q. voor hem zijn bestemd, en aan hem dienen te worden vrijgegeven c.q. uitbetaald;
II [geïntimeerde] als beheerder van de kwaliteitsrekening(-en) te veroordelen om tot vrijgave c.q. (uit)betaling over te gaan aan het Kadaster van een bedrag van € 63.626,90, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf datum dagvaarding;
subsidiair op grond van onrechtmatige daad:
III [geïntimeerde] op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot betaling van de kosten gemaakt over de boedelperiode van € 34.373,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen;
primair en subsidiair:
IV [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
Het Kadaster heeft zijn vordering van € 142.615,90 beperkt tot € 98.000,00 (zonder afstand te doen van het meerdere ad € 44.615,90) en daarop in mindering gebracht de kosten gemaakt over de boedelperiode van € 34.159,00 aan inschrijvingskosten en € 214,10 aan recherchekosten, zodat sub II een hoofdsom resteert € 63.626,90.
Na verweer van [geïntimeerde] en een comparitie van partijen heeft de rechtbank in haar eindvonnis van 10 oktober 2018 (gepubliceerd onder: ECLI:NL:RBMNE:2018:4705) de vorderingen afgewezen, met veroordeling van het Kadaster in de proceskosten.
In hoger beroep komt het Kadaster uitsluitend op tegen de afwijzing van zijn primaire vorderingen I, II en IV. Het richt zijn enige grief tegen het oordeel van de rechtbank dat het Kadaster niet is aan te merken als rechthebbende als bedoeld in artikel 25 lid 3 van de Wna.