Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3732, 200.245.880
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3732, 200.245.880
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 12 mei 2020
- Datum publicatie
- 19 mei 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:3732
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1916, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.245.880
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens het na vernietiging in hoger beroep van voor vennootschap gunstig vonnis niet (kunnen) terugbetalen van het eerder toegewezen bedrag. Maatstaf conform Hoge Raad 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7326 (Maarssens Bouwbedrijf) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6228(Conservatrix).
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.245.880
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 414869)
arrest van 12 mei 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidSanitech Holding B.V.,
gevestigd te Veenendaal,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Sanitech,
advocaat: mr. J.W.B. van Till,
tegen
1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidMontarlot Beheer B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. [geïntimeerde2],
wonende te [A] , Frankrijk,
3. [geïntimeerde3],
wonende te [A] , Frankrijk,
geïntimeerden in het principaal hoger beroep,
appellanten in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagden,
advocaat: mr. M.D. Kalmijn.
Geïntimeerde sub 1 zal hierna Montarlot worden genoemd en geïntimeerde sub 2 en 3 zullen gezamenlijk worden aangeduid als de bestuurders.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2019 hier over. In dit arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast, die geen doorgang heeft gevonden.
Vervolgens heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 26 april 2017.