Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3733, 200.245.886

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-05-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3733, 200.245.886

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12 mei 2020
Datum publicatie
18 mei 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:3733
Zaaknummer
200.245.886

Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen advocatenkantoor.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.245.945/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/319503 / HA ZA 17-224)

arrest van 12 mei 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaten: mr. P.J. de Jong Schouwenburg, kantoorhoudend te Amsterdam en mr. I.E. van Hassel, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

JacobsKottier Belastingadviseurs B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: JacobsKottier,

advocaat: mr. F. Arts, kantoorhoudend te Nijmegen,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het bestreden vonnis van 4 april 2018, voor zover tussen partijen gewezen door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, en het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 13 september 2017, waarbij een comparitie van partijen is bevolen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 4 juli 2018,

- het herstelexploot van 11 juli 2018,

- de memorie van grieven, met producties,

- de incidentele memorie strekkende tot voeging ex artikel 222 Rv, tevens memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, met producties,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

- de rolvoeging met de zaak met zaaknummer 200.245.886/01,

- de briefwisseling waarbij partijen desgevraagd te kennen hebben gegeven prijs te stellen op schriftelijke afdoening van deze zaak.

2.2.

Partijen hebben de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en het hof heeft vervolgens arrest bepaald.

2.3.

Het hof doet heden eveneens uitspraak in de gevoegde zaak met zaaknummer 200.245.886/01.

3 De vaststaande feiten

3.1.

JacobsKottier is een fiscaal advieskantoor, dat in 2002 is opgericht door de heer [B] en mevrouw [C] (hierna: [B/C] ).

3.2.

Poelmann van den Broek N.V. (hierna: Poelmann, in eerste aanleg eveneens gedaagde) is een advocatenkantoor. [appellant] is advocaat en gespecialiseerd in het insolventie-, ondernemings- en mededingingsrecht. Hij was vanaf 1999 in dienst bij Poelmann. In 2003 is [appellant] vennoot geworden en vanaf 1 januari 2010 is hij vervolgens toegetreden tot het bestuur van Poelmann. Mevrouw [D] (hierna: [D] , in eerste aanleg aanvankelijk eveneens gedaagde) is sinds 2008 als advocaat in dienst bij Poelmann en eveneens gespecialiseerd in insolventie- en ondernemingsrecht.

3.3.

Vanaf 1999 is Poelmann huisadvocaat van de heer [E] (hierna: [E] ) en zijn vennootschappen (hierna gezamenlijk met [E] : [E] c.s.) geweest op allerlei rechtsgebieden.

[E] dreef met zijn vennootschappen een onderneming die zich onder meer toelegde op het aanbieden van luxe riviercruises en het verzorgen van intermodaal transport.

3.4.

Vanaf 1 oktober 2002 tot 1 juni 2012 was JacobsKottier gevestigd in hetzelfde kantoorpand als Poelmann. JacobsKottier huurde bedrijfsruimte van Poelmann. Deze kantoren werkten op incidentele basis samen met elkaar en verleenden betaalde diensten over en weer, voor klanten en/of kantoorgenoten.

3.5.

JacobsKottier is als fiscaal adviseur betrokken geweest bij [E] c.s.

3.6.

[E] c.s. hadden in januari 2009 betalingsachterstanden voor de door JacobsKottier verleende diensten. [E] heeft toen aan JacobsKottier voorgesteld zekerheid te verschaffen in de vorm van een pandrecht op een vordering die River Cruise Management B.V. (hierna: RCM, één van de vennootschappen van [E] ) uit hoofde van een charterovereenkomst had op de Spaanse vennootschap Politours S.A. (hierna: Politours).

3.7.

Bij e-mail van 14 januari 2009 heeft Amstel Lease Maatschappij N.V. (hierna: Amstel Lease) aan [E] in het kader van een herfinanciering van diens vennootschappen een aantal documenten gestuurd met het verzoek deze getekend te retourneren. Verder staat in die e-mail onder meer vermeld:

“(...) Naar aanleiding van de overeenkomst d.d. 19 december 2008, dienen naast de notariële aktes

ook een aantal onderhandse aktes te worden getekend. (...)

Met betrekking tot de Verpanding van de Charterovereenkomsten. (...)

- Voor zover de vorderingen uit de chartercontracten vallen onder het 1e pandrecht vorderingen van ABN AMRO verkrijgt Amstel Lease hiermee een 2e pandrecht; (...)

Ik heb toegezegd om, zodra deze rechtsgeldig getekend was door ABN AMRO Bank, ook de

Wederzijdse Surplusgarantie aan jullie te doen toekomen. (...)”.

Bij de toegestuurde documenten bevinden zich een wederzijdse surplusgarantie tussen

Amstel Lease en ABN AMRO, die door [E] op 19 december 2008 namens [E]

c.s. als lessee respectievelijk kredietnemer is ondertekend, en een overeenkomst tot verpanding door [E] c.s. van charterovereenkomsten aan Amstel Lease.

3.8.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [E] de e-mail van Amstel Lease met de documenten aan [appellant] doorgestuurd, met het verzoek deze te checken en de mededeling dat hem is verzocht deze de volgende dag te tekenen.

Bij brief van 15 januari 2009 heeft [appellant] aan [E] geantwoord:

“(...) In bovenvermelde kwestie heb ik de door u aan mij toegezonden stukken gelezen. (...) Ondertekening van de onderscheiden stukken vloeit voort uit de afspraken die omstreeks 19 december 2009 met Amstel Lease zijn gemaakt. Het zijn standaardcontracten omtrent de inhoud waarvan Amstel Lease wel niet zal willen onderhandelen. Wat de consequentie van ondertekening is, heb ik u eerder geschetst, namelijk dat als u niet voldoet aan uw betalingsverplichting zal Amstel Lease zich werkelijk op bijna alles kunnen verhalen. (...)”.

3.9.

Op 23 januari 2009 heeft [B/C] op initiatief van [E] met [appellant] gesproken om zich te laten voorlichten omtrent de kansrijkheid van de vordering van RCM op Politours, en over de mogelijkheid en betekenis van een op die vordering te vestigen pandrecht tot zekerheid van de vorderingen van JacobsKottier op [E] c.s. Diezelfde dag is aan [appellant] opdracht gegeven een pandakte op te stellen om de hiervoor bedoelde vordering van RCM op Politours te verpanden aan JacobsKottier.

3.10.

Het concept van de pandakte is opgesteld door [D] en bij brief van 5 februari 2009 verzonden aan [E] . In deze brief staat onder meer vermeld: “(...) Ik teken nadrukkelijk aan dat ik niet insta voor eventuele fouten en/of gebreken jegens JacobsKottier hierin. (...) Ik ben bereid om de pandakte rechtstreeks toe te sturen aan mevrouw [C] , geeft u mij instructies? (...)”.

3.11.

Bij e-mail van 23 februari 2009 heeft [D] , naar aanleiding van een verzoek van [E] om ook een andere schuldeiser (Mazars, de accountant van [E] c.s.) in dezelfde pandakte op te nemen, aan [E] te kennen gegeven: “(...) Vorige week hebt u mij verzocht ook Mazars op te nemen als crediteur. Ik heb u daarop medegedeeld dat instemming daarmee van JacobsKottier is vereist. Daarna heb ik niet meer van u mogen vernemen. Overigens ben ik van mening dat het niet mogelijk is om Mazars in dezelfde akte te laten participeren. Zij zullen een tweede pandrecht op dezelfde vordering moeten krijgen, waarvoor dus ook een tweede akte nodig is. (...)”.

3.12.

Bij e-mail van 25 februari 2009 heeft [D] aan [E] onder meer medegedeeld: “(...) Naar aanleiding van de telefoongesprekken die ik vandaag zowel met u als met mevrouw [C] voerde deel ik u het volgende mede. (...)

Van mevrouw [C] heb ik vernomen dat JacobsKottier dit zo verstaat dat Mazars in dat geval een tweede pandrecht verkrijgt, waar zij het eerste pandrecht verwerft. (...)”.

3.13.

Bij brief van 26 februari 2009 heeft [D] het concept van de pandakte aan JacobsKottier gestuurd. In deze brief staat onder meer vermeld: “(...)Voorts heb ik met mijn kantoorgenoot mr. S.W. Vos overleg gevoerd over de rangorde nu het de bedoeling is dat ook Mazars een pandrecht op dezelfde vordering verkrijgt. Beslissend voor de verkrijging van een eerste dan wel tweede pandrecht is het moment van registratie van de pandakte. Het lijkt mij het eenvoudigst wanneer onderhavige akte eerst wordt getekend en aangeboden ter registratie, waarna de akte ten behoeve van Mazars getekend en geregistreerd kan worden.

Ik wil daarbij te uwer informatie aantekenen dat ik de heer [E] erop gewezen heb dat hij de heer Kersten op de hoogte dient te stellen van het gegeven dat Mazars een tweede pandrecht verkrijgt, zodat niet pas achteraf blijkt dat Mazars wellicht slechts schijnzekerheid heeft verkregen. (...)”.

3.14.

Op 26 februari 2009 is de pandakte getekend door [B/C] namens JacobsKottier en

door [E] namens RCM. De akte is vervolgens op 4 maart 2009 bij de

belastingdienst geregistreerd. JacobsKottier heeft haar dienstverlening aan [E] c.s. daarop voortgezet.

Op het moment van registratie bedroeg de verpande vordering op Politours ongeveer

€ 595.000,00. [appellant] had namens RCM op dat moment Politours al gedagvaard in eerste aanleg om tot betaling van de vordering over te gaan. In de procedure in eerste aanleg is een groot deel van de (verpande) vorderingen van RCM in conventie afgewezen en in reconventie is RCM veroordeeld tot betaling aan Politours.

3.15.

Op 11 april 2011 heeft JacobsKottier haar vorderingen voor een bedrag ad

€ 125.000,00 op [E] c.s. achtergesteld op eventuele vorderingen van ABN AMRO.

3.16.

Vanaf 2 december 2011 zijn meerdere vennootschappen van [E] failliet verklaard. Op 23 januari 2012 is ook RCM failliet verklaard, met aanstelling van mr. Looyen tot curator.

3.17.

In een overleg met de curator heeft JacobsKottier vernomen dat zij niet over een

eerste pandrecht beschikt, maar dat ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) een eerste pandrecht heeft. Bij e-mail van 16 april 2012 heeft ABN AMRO aan de toenmalig advocaat van JacobsKottier de verzamelpandakten van 4 augustus 2008 en 22 september 2008 ter inzage gestuurd, waaruit het eerste pandrecht van ABN AMRO blijkt.

3.18.

Bij brief van 28 juni 2012 gericht aan Poelmann, ter attentie van onder meer [appellant] , heeft de toenmalige advocaat van JacobsKottier aanspraak gemaakt op vergoeding van door JacobsKottier geleden schade. De toenmalige advocaat van JacobsKottier heeft bij deze brief gesommeerd tot betaling van € 361.137,76, bestaande uit een bedrag groot

€ 344.304,08 aan schade met betrekking tot niet door [E] c.s. betaalde facturen, vermeerderd met rente en kosten voor juridische bijstand.

3.19.

Betaling van dit bedrag is uitgebleven.

3.20.

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2016 zijn, voor zover thans van belang, de tussen (de curator van) RCM en Politours gewezen vonnissen van de rechtbank vernietigd en is Politours veroordeeld tot (terug)betaling van € 677.198,82 aan RCM, te vermeerderen met kosten en rente.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

6 De slotsom

7 De beslissing