Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5284, 200.241.852/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5284, 200.241.852/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 juli 2020
Datum publicatie
9 juli 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:5284
Formele relaties
Zaaknummer
200.241.852/01

Inhoudsindicatie

Letsel opgelopen in politiecel. Geen onrechtmatig handelen van de politie. Niet is komen vast te staan dat de politie in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of een subjectief recht en evenmin dat de politie bij haar beroepsmatige handelen buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.852/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/198597)

arrest van 7 juli 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante],

hierna: [appellante],

beiden wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. E.J. Bijl, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

De Nationale Politie,

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Politie,

advocaat: mr. A.T. Bolt, kantoorhoudend te Arnhem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 11 juni 2019, waarvan de inhoud hier wordt overgenomen, een comparitie van partijen bepaald op 19 mei 2020. [appellanten] c.s. hebben het hof voorafgaand aan de geplande comparitie (bij H-formulier ingekomen op 4 mei 2020) verzocht, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van

3 september 2019, toe te staan dat de camerabeelden genoemd in die beslissing zullen worden getoond tijdens een zitting in deze procedure. In verband met de maatregelen ter bestrijding van het Covid-19-virus (de corona-crisis) is die comparitie niet doorgegaan. Partijen hebben het hof daarop laten weten te kunnen instemmen met een schriftelijke afdoening van de zaak. De Politie is nog in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van [appellanten] c.s. om de camerabeelden te tonen. Dit heeft de Politie gedaan bij antwoord-akte van 19 mei 2020 Vervolgens hebben partijen aanvullend gefourneerd en is arrest bepaald door het hof.

2. De vaststaande feiten

2.1

Het hof stelt de volgende feiten vast. Voor zover [appellanten] c.s. in de memorie van grieven met het niet nader toegelichte standpunt dat de feiten in het vonnis van de rechtbank voor het overige onjuist en onvolledig zijn (onder nr. 8), hebben beoogd te grieven tegen de feiten, hebben zij daarbij dan ook geen belang meer.

2.2

Op dinsdag 4 mei 2010 om 18.34 uur heeft [appellante] gebeld met de politiemeldkamer met het verzoek om naar haar woning te komen, omdat een levensbedreigende situatie was ontstaan door de overspannen toestand van haar man [appellant] . [appellant] ging door het lint en zou zijn jongste zoon iets hebben willen aandoen.

2.3

De twee agenten, J [B] en [C] , die ter plaatse arriveerden hoorden van de buurman van [appellant] , [D] , dat [appellant] vanaf 17:00 uur liep te schreeuwen en zijn zoon had aangevallen. De agenten zijn vervolgens de woning van [appellant] binnen gegaan.

2.4

In de woning troffen de agenten [appellante] , [appellant] en zijn (destijds 17-jarige) zoon aan. [appellant] lag liggend op de bank in de woonkamer. [appellant] gedroeg zich agressief en recalcitrant en besloten werd om [appellant] in het kader van artikel 2 Politiewet (hulpverlening) mee naar het bureau te nemen. De agenten hebben [appellant] daartoe geboeid.

2.5

Om 19:14 uur werd [appellant] ingesloten in een zogenaamde Riagg-cel. Via de camera die in de betreffende cel hing, werd [appellant] door de agenten in de gaten gehouden. Van het opgenomen beeldmateriaal is door de Rijksrecherche een proces-verbaal d.d. 15 juni 2010 opgemaakt.

2.6

[appellant] is omstreeks 21:45 uur door GGD-arts [E] (hierna: de GGD-arts) bezocht in zijn cel. Ter beveiliging van de GGD-arts zijn twee arrestantenverzorgers met hem mee de cel ingegaan. De GGD-arts heeft vastgesteld dat [appellant] op dat moment nog geen hoofdwond had. Tijdens het onderzoek schopte [appellant] de GGD-arts in het kruis, waarop de aanwezige agenten [appellant] onder controle probeerden te krijgen. Op het moment dat de GGD-arts de cel uit wilde lopen greep [appellant] hem bij zijn benen, waarop opnieuw een worsteling is ontstaan.

2.7

Na het verlaten van de cel heeft de GGD-arts rond 22:00 uur contact opgenomen met de crisisdienst Dimence te Deventer. De GGD-arts heeft gesproken met sociaal psychiatrisch verpleegkundige [F] (hierna: de verpleegkundige) en haar verzocht om naar het politiebureau te komen om [appellant] te beoordelen.

2.8

Om ongeveer 22:30 uur arriveerde de verpleegkundige op het politiebureau. Na het zien van de camerabeelden en overleg met de GGD-arts, heeft zij de dienstdoende psychiater bij de crisisdienst [G] (hierna: de psychiater) gebeld om te komen zodat zij samen een (IBS-)beoordeling van [appellant] konden doen.

2.9

Blijkens camerabeelden heeft [appellant] zich tussen 22:20 uur en 23:03 uur meerdere keren tegen de celdeur en -wand aangegooid.

2.10

De psychiater arriveerde rond 23:30 uur. De psychiater heeft overlegd met de verpleegkundige en heeft de camerabeelden bekeken, alvorens hij met agenten en arrestantenverzorgers naar de cel van [appellant] ging. Aldaar heeft de psychiater omstreeks 23:33 uur via het geopende observatieluikje meerdere malen geprobeerd om contact met [appellant] te maken, maar dat is niet gelukt. [appellant] heeft met zijn arm een grijpende beweging gemaakt door het observatieluikje waar de psychiater achterstond.

2.11

[appellant] wierp zich vervolgens herhaaldelijk met zijn hoofd en lichaam tegen de celdeur en -wand.

2.12

De psychiater heeft te kennen gegeven dat [appellant] ter bescherming van zich zelf en met het oog op noodzakelijk onderzoek en de toediening van medicatie, gefixeerd moest worden.

2.13

Na overleg over de wijze waarop [appellant] onder controle gebracht kon worden en het treffen van de nodige voorbereidingen, zijn de agenten om 00:13 uur de cel binnen gegaan om [appellant] door middel van de zogenaamde schildprocedure te fixeren.

2.14

Tijdens de fixatie is de GGD-arts erbij gehaald om een forse hoofdwond van [appellant] te onderzoeken. De GGD-arts vond dat de wond niet verzorgd hoefde te worden. Hij maakte zich wel zorgen over eventuele schade aan de hersenen van [appellant] . Toen de GGD-arts de wond beoordeelde, was [appellant] nog steeds heel erg onrustig. Hij werd in bedwang gehouden en geboeid. Nadat de GGD-arts de wond had gezien gingen de agenten verder met het boeien van de armen en benen van [appellant] .

2.15

Vlak voordat de verpleegkundige klaar stond om [appellant] door middel van een injectie Promethazine toe te dienen, werd geconstateerd dat [appellant] het verzet staakte. De GGD-arts heeft [appellant] pijnprikkels gegeven waarop hij niet reageerde. Het schild werd van [appellant] afgehaald zodat de GGD-arts [appellant] nader kon onderzoeken. Vervolgens constateerde de GGD-arts dat [appellant] geen hartslag meer had. Daarop is men met reanimatie begonnen.

2.16

[appellant] is vervolgens met de ambulance afgevoerd richting het Deventer Ziekenhuis. Hij is opgenomen op de Intensive Care en daar in een kunstmatige coma gehouden. Op 12 mei 2010 is acute letale katatonie bij [appellant] vastgesteld. In 2012 zijn bij hem blijvende cognitieve stoornissen vastgesteld. In zijn huidige toestand is [appellant] grotendeels aangewezen op dagopvang of zorg door [appellante] .

2.17

Bij brief van 21 oktober 2014 is de Politie door [appellant] aansprakelijk gesteld voor alle als gevolg van het gebeuren op 4 en 5 mei 2010 door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. De Politie heeft aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg kort samengevat gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de Politie volledig aansprakelijk is voor de schade die [appellant] en [appellante] , deze laatste ex artikel 6:107 BW, hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van het in de dagvaarding omschreven onrechtmatig handelen door de Politie, althans door medewerkers van de Politie, op 4 en 5 mei 2010, en de Politie te veroordelen tot vergoeding van alle door [appellanten] c.s. geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 5 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de Politie te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 maart 2018 geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Politie in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht of een subjectief recht, terwijl evenmin is gebleken dat de Politie bij haar beroepsmatige handelen in de omstandigheden van die geval en rekening houdend met de voor haar geldende wet- en regelgeving buiten de grenzen is getreden van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] c.s. afgewezen en [appellanten] c.s. in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

5 De slotsom

6 De beslissing