Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5560, 200.243.299/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5560, 200.243.299/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14 juli 2020
Datum publicatie
2 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:5560
Formele relaties
Zaaknummer
200.243.299/01

Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Verjaring van rechtsvordering tot vergoeding van schade.

Aanvang korte verjaringstermijn (3:310 BW).

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.299/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 431050)

arrest van 14 juli 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats1] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. R.L.A. van Buul, kantoorhoudend te Eindhoven, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats1] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. B. Breederveld, kantoorhoudend te Alkmaar, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

24 mei 2017 en van 14 maart 2018 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 juni 2018,

- de memorie van grieven (met productie),

- de memorie van antwoord,

- een akte van 19 februari 2019 (met productie),

- een antwoordakte van 12 maart 2019,

- een brief van 4 maart 2020 van mr. Van Buul met bijlagen ter completering van het ten behoeve van het pleidooi overgelegde procesdossier,

- de ter zitting van 9 maart 2020 gehouden pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het door mr. Van Buul overgelegde dossier, aangevuld met de door mr. Van Buul bij brief van 4 maart 2020 nagezonden stukken uit eerste aanleg.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.10. van het bestreden vonnis van 14 maart 2018. Deze feiten luiden, voor zover van belang en aangevuld met enige andere feiten, als volgt:

3.2

[appellante] en [geïntimeerde] zijn [in] 1994 met elkaar gehuwd nadat zij

huwelijkse voorwaarden waren aangegaan.

3.3

Tijdens het huwelijk was [geïntimeerde] werkzaam als advocaat. In 1998 is hij via zijn

B.V. vennoot geworden in de maatschap “ [de maatschappij] ”, handelend onder de naam [naam1]

(hierna ook: [naam1] ). In 2002 is de door [geïntimeerde] geleide juridische tak van [de maatschappij] verzelfstandigd tot “ [naam2] ”. In de periode van 2002 tot 2004/2005 was [geïntimeerde] via zijn B.V. maat in zowel de maatschap [de maatschappij] als in de maatschap “ [naam2] ”.

3.4

Omstreeks 2004/2005 heeft een herstructurering plaatsgevonden van (de

goodwillaanspraken van) [naam1] . Bij deze herstructurering is op 30 december 2004 de Stichting [naam3] (hierna: Stichting [naam3] ) opgericht.

3.5

In het kader van de herstructurering werd de (uittreders)goodwill per participant in [naam1] gefixeerd op het vaste bedrag van € 1.725.000,-, indien de participant op 1 januari 2005 nog vennoot was. Daarnaast werd een deel van die goodwill ter hoogte van € 600.000,- vervroegd uitgekeerd op 1 januari 2005. Het restant van de goodwillaanspraak werd gereserveerd.

3.6

In 2004 ontstonden huwelijksproblemen tussen [appellante] en [geïntimeerde] . Op

30 september 2005 hebben partijen een echtscheidingsconvenant getekend. De echtscheiding is op 23 november 2005 uitgesproken en op 29 november 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.7

In artikel 4.6 van het echtscheidingsconvenant is het volgende bepaald:

“(...) Verder zal [geïntimeerde] in geval van uittreding uit de maatschap [naam2] , dan wel diens rechtsopvolger, aan [appellante] 40% van de netto opbrengst (netto = ontvangst minus belastingen) in verband met goodwillaanspraken vergoeden, tenzij die uittreding later plaatsvindt dan 1 oktober 2008.”

3.8

In verband met bij haar gerezen vragen over het echtscheidingsconvenant heeft

[appellante] zich in 2008 gewend tot mr. M.R. de Boorder. Mr. De Boorder heeft in dat

kader in april 2008 bij [geïntimeerde] de jaarstukken en belastingaangiften opgevraagd van zijn

vennootschappen vanaf 2002 tot en met 2007.

3.9

Bij brief van 12 juni 2008 heeft de accountant van [geïntimeerde] aan mr. De Boorder de

gevraagde stukken gezonden en ter toelichting het volgende geschreven:

“Op 1 januari 2005 is de [naam1] -organisatie juridisch geherstructureerd. De activiteiten van de maatschap [de maatschappij] zijn ondergebracht in besloten vennootschappen waarvan de aandelen gehouden worden door [naam4] B.V. Bij die herstructurering is [naam2] volledig verzelfstandigd, hetgeen overigens eerst in de loop van 2006 is geschied met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005. Bij die verzelfstandiging zijn de financiële banden tussen [geïntimeerde] en [de maatschappij] doorgesneden.

Bij de herstructurering van [de maatschappij] is op 30 december 2004 de Stichting [naam3]

(hierna ook te noemen: [naam3] ) opgericht. Het doel van de

stichting is het beheren en het afwikkelen van goodwillaanspraken van de zittende vennoten.

In het kader van voorbedoelde herstructurering heeft [naam3] besloten om een deel van de

uittredersgoodwill, ad € 600.000 bruto per participant, vervroegd uit te keren. Zonder de

herstructurering zou de goodwill eerst betaalbaar zijn geweest op het moment dat de betreffende participant uit [naam1] / [naam2] treedt. De heer [geïntimeerde] zou deze betaling dus eigenlijk pas in de verre toekomst hebben ontvangen (bij zijn uittreden). Hierbij merken wij op dat de heer [geïntimeerde] geen invloed heeft kunnen uitoefenen op het al dan niet vervroegen van de betreffende uitbetaling ad € 600.000.

Op voorstaande vervroegde uitkering per 1 januari 2005, ook wel "upfrontbetaling" genoemd, is per participant een bedrag ingehouden terzake van latente belastingverplichtingen. (...) De belastinglatentie is in de heer [geïntimeerde] 's geval berekend op € 93.000, zodat de netto ontvangst is geweest € 503.000. Dit bedrag is opgenomen in de commerciële jaarrekening over 2004 van [naam5] B.V. als bijzondere bate. Fiscaal behoort deze ontvangst echter niet tot het belastbaar bedrag.

Van voornoemd bedrag ad € 503.000, is een bedrag van € 303.000 daadwerkelijk aan de

B.V. betaald en een bedrag van € 200.000 als maatschapkapitaal (MK) in [naam2] gestort. Tegelijkertijd is er tussen [naam2] en voornoemde Stichting [naam3] een schuldverhouding ontstaan van € 600.000 in verband met voornoemde uitkering. Verder heeft de heer [geïntimeerde] aan de maatschap [naam2] een voorwaardelijke schulderkenning afgegeven, inhoudende dat bij insolvabiliteit van de maatschap het gehele bedrag ad € 600.000 dient te worden terugbetaald. Als een dergelijke omstandigheid zich voordoet, zal de heer [geïntimeerde] geen MK ontvangen (de maatschap is immers insolvabel), en wel het bedrag ad € 600.000 moeten betalen.

De hele constructie is feitelijk niet meer dan een herfinanciering, waarbij activa aan de ene kant ( [geïntimeerde] ) worden gecompenseerd door passiva aan de andere kant ( [naam2] en voorwaardelijk [geïntimeerde] ). Door de herfinanciering van de goodwill is het bovendien mogelijk geworden om in de maatschap [naam2] bij toetreding een inklimregeling toe te passen in plaats van betaling van goodwill. De nieuwe maten van [naam2] hebben een dergelijke regeling.

3.10

Op 19 augustus 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] , mr. De

Boorder, de door mr. De Boorder ingeschakelde accountant [naam6] en een fiscalist

van [naam1] , [naam7] . Naar aanleiding van deze bespreking zijn partijen enkele aanpassingen

c.q. wijzigingen van het convenant overeengekomen. Mr. De Boorder heeft de nadere

afspraken vastgelegd in een ‘nadere overeenkomst’ die door [appellante] en [geïntimeerde] op

resp. 9 en 6 oktober 2008 is ondertekend.

3.11

In januari 2014 heeft [appellante] zich (via haar advocaat) tot [geïntimeerde]

gewend en hem verzocht duidelijkheid te verschaffen over het eind 2004 uitgekeerde

voorschot op goodwill van € 600.000,- en een regeling te treffen over verdeling van deze

post.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

6 De slotsom

7 De beslissing