Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6021, 200.253.510/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-07-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6021, 200.253.510/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 juli 2020
- Datum publicatie
- 30 juli 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:6021
- Zaaknummer
- 200.253.510/01
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige observatie?
Nee, Hoffmann Bedrijfsrecherche heeft de observatie uitgevoerd in overeenstemming met de regeling die in de Privacygedragscode is opgenomen voor het uitvoeren en vastleggen van observaties.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.253.510/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere 6869169)
arrest van 28 juli 2020
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. M.J.G. Smit,
tegen
Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V.,
gevestigd te Almere,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Hoffmann,
advocaat: mr. E.D. Breugelmans-Tanis.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 augustus 2019 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit:
- de brief van [appellante] van 12 november 2019 houdende de overlegging van foto’s in kleur;
- het proces-verbaal van de op 26 juni 2020 gehouden comparitie van partijen.
Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.
2 Inleiding
Centraal in dit geding staat de vraag of Hoffmann op onrechtmatige wijze inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellante] door haar te observeren en opnamen van haar te maken terwijl zij bezigheden verrichtte in haar tuin.
3 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
[appellante] is als verzorgende in dienst geweest van de Stichting Zorggroep Groningen (hierna: ZGG). Vanwege ziekte (hernia) is zij in maart 2015 uitgevallen voor haar werkzaamheden.
Nadat [appellante] al geruime tijd ziek was geweest, heeft ZGG in mei 2016 contact opgenomen met Hoffmann met het verzoek om een onderzoek te verrichten naar signalen die ZGG naar eigen zeggen hadden bereikt over de mogelijkheid dat [appellante] ondanks haar ziekte werkzaamheden zou verrichten. Op basis van een door Hoffmann op 20 mei 2016 gedane offerte is tussen ZGG en Hoffmann een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. De overeenkomst vermeldt als opdracht: “onderzoek vermoeden verzuimfraude”.
Ter uitvoering van de opdracht heeft Hoffmann op 9 juni en 10 juni 2016 observaties verricht bij de woning van [appellante] . De observatie op 9 juni duurde volgens opgave van Hoffmann van 15.00 tot 15.05 uur en was beperkt tot de vaststelling van de identiteit van [appellante] door Hoffmann. Vervolgens heeft Hoffmann op 10 juni van 07.26 uur tot 12.30 uur [appellante] in haar tuin geobserveerd. Die tuin werd door [appellante] gedeeltelijk gebruikt als voor het publiek toegankelijke “theetuin”, waar zij thee, koffie en gebak verkocht aan bezoekers. De observaties werden gedaan vanuit een bij de woning geparkeerde auto. Daarbij zijn ook video-opnamen gemaakt. Van haar observaties heeft Hoffmann een verslag opgesteld, waarbij ook enkele “snapshots” van door haar gemaakte videobeelden waren gevoegd. Dat verslag heeft zij op 20 juni 2016 toegestuurd aan ZGG.
Op 5 augustus 2016 is [appellante] op staande voet ontslagen door ZGG. Als grond voor het ontslag is vermeld dat [appellante] “ondanks eerder waarschuwingen, een loonsanctie en een deskundigenoordeel opnieuw geen gehoor heeft gegeven aan de [u] bij brief van
2 augustus 2016 verstrekte redelijke instructies/opdrachten”.
Op 30 september 2016 heeft [appellante] bij de kantonrechter een verzoekschrift ingediend tot vernietiging van het ontslag.
Op 3 oktober 2016 heeft Hoffmann aan [appellante] schriftelijk bericht dat zij in opdracht van ZGG een onderzoek naar haar activiteiten heeft verricht tijdens haar ziekte.
Het verzoek tot vernietiging van het ontslag is door de kantonrechter afgewezen in een beschikking van 21 februari 2017. [appellante] heeft van die beschikking hoger beroep ingesteld. In een uitspraak van 11 september 2017 heeft dit hof dat hoger beroep verworpen.