Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6668, 200.248.841

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6668, 200.248.841

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25 augustus 2020
Datum publicatie
31 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:6668
Zaaknummer
200.248.841

Inhoudsindicatie

Art. 22a Invorderingswet 1990

Beslag door de Ontvanger; faillissement; aanspraak van de boedel. Reikwijdte van art. 22a Iw 1990.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.248.841

(zaaknummer rechtbank Midden Nederland, locatie Utrecht 6659731)

arrest van 25 augustus 2020

in de zaak van

mr. Sandra Buddingh,

in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap

Luc B.V.,

wonende te Amersfoort,

kantoorhoudende te Utrecht,

appellante in het hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de curator,

advocaat: mr. M.D.B. Stap, voorheen mr. C.I.M. de Haan

tegen:

de Ontvanger van de Belastingdienst/kantoor Utrecht,

kantoorhoudende te Utrecht,

geïntimeerde in het hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. E.E. Schipper.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 december 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- het pleidooi overeenkomstig de pleitnotities van mr. Stap en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van 1 juli 2020.

1.3

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 25 juli 2018 (hierna: het vonnis).

3 Het geschil en de beslissing van de kantonrechter

3.1

De curator heeft bij de kantonrechter – samengevat – gevorderd dat de Ontvanger een bedrag van € 3.312,16 aan de boedel betaalt. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat de Ontvanger tegenover de boedel onrechtmatig heeft gehandeld door een door Luc B.V. geleasede personenauto (hierna: het voertuig) op grond van artikel 22a Invorderingswet 1990 (Iw) in beslag te nemen, dit beslag na de datum van het faillissement, uitgesproken op 25 juli 2017, te handhaven en het voertuig vervolgens te verkopen. Hierbij heeft de Ontvanger de opbrengst (deels) aangewend ter voldoening van een nog openstaande schuld van Luc B.V. aan de belastingdienst wegens motorrijtuigenbelasting. Het door Luc B.V. aan de leasemaatschappij verschuldigde is door de Ontvanger aan haar betaald en het restant is voldaan aan de boedel. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag dat de Ontvanger heeft aangewend tot voldoening van de motorrijtuigenbelasting aan de boedel had moeten worden betaald en dat de Ontvanger zijn (preferente) vordering bij de curator had moeten indienen. Subsidiair heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat de Ontvanger ongerechtvaardigd is verrijkt.

3.2

De Ontvanger heeft de vordering van de curator weersproken en zich in de kern op het standpunt gesteld dat hij op grond van artikel 22a Iw gerechtigd was zich op de leaseauto te verhalen.

3.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 25 juli 2018 de vordering van de curator afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5 De slotsom

6 De beslissing