Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6696, 200.269.286

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6696, 200.269.286

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26 augustus 2020
Datum publicatie
31 augustus 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:6696
Formele relaties
Zaaknummer
200.269.286

Inhoudsindicatie

Verhuizing moeder voordat de vader met het (gezamenlijk) gezag was belast, geen grond voor bevel terugverhuizing.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.269.286

(zaaknummers rechtbank 474620, 474624 en 477696)

beschikking van 25 augustus 2020

inzake

[verzoekster] ,

met onbekende woon- of verblijfplaats,verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: voorheen mr. S.N. Ziekman-Meijerink te Utrecht (onttrokken), thans mr. J.H. Weermeijer te Leiden.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank) van 17 april 2019 en 15 augustus 2019, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. De beschikking van 15 augustus 2019 wordt hierna ook wel de bestreden beschikking genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 november 2019;

-

het verweerschrift met producties;

-

een brief van de GI van 6 januari 2020;

-

een journaalbericht van mr. Weermeijer van 13 juli 2020 met productie.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 14 juli 2020 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:

-

mr. Loonstein namens de moeder;

-

de vader in persoon, bijgestaan door zijn advocaat;

-

[B] en [C] namens de GI;

-

[D] namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3 De feiten

3.1

De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2018 te [E] . De vader heeft [de minderjarige] voor haar geboorte erkend.

3.2

Bij vonnis in kort geding van 21 december 2018 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank – voor zover hier van belang – de moeder veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] gedurende tweemaal twee uur per week, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat de moeder geen medewerking verleent.

Bij arrest in kort geding van 19 maart 2020 heeft dit hof de voorlopige omgangsregeling in stand gelaten met wijziging van de precieze invulling hiervan vanaf de datum van het arrest en met toevoeging van een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,-.

3.3

De vader heeft de rechtbank in eerste aanleg bij verzoekschrift van 29 januari 2019 verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] na een opbouwperiode zoals opgenomen in het verzoekschrift vanaf 12 november 2019 bij de vader verblijft iedere woensdag van 18.00 tot vrijdagochtend 08.30 uur en in de even weken het weekend van vrijdagochtend 08.30 uur tot maandagochtend 08.30 uur, waarbij partijen ieder een gelijk aandeel zullen hebben in het halen en brengen van [de minderjarige] naar de andere ouder.

De vader heeft de rechtbank voorts verzocht te bepalen dat de moeder voor iedere keer dat zij in strijd handelt met de door hem verzochte omgangsregeling een dwangsom verbeurt van € 1.000,- en dat de vader, samen met de moeder, gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] wordt belast. Ten slotte heeft de vader de rechtbank verzocht te bepalen dat de moeder hem uiterlijk op de eerste datum van de maand van ieder jaar schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [de minderjarige] , waarbij in ieder geval informatie wordt verstrekt over de gezondheid en de ontwikkeling, eventuele doktersbezoeken, medische behandelingen en medicijngebruik, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat de moeder haar informatieplicht jegens de vader niet nakomt en dat de moeder de vader dient te consulteren over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [de minderjarige] .

3.4

De moeder heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en zelfstandige verzoeken geformuleerd. De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover hier van belang, een omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader [de minderjarige] eens in de week bij zich heeft op zondagmiddag, waarbij één van zijn ouders mee komt zowel bij het halen als bij het brengen, en de man te veroordelen tot betaling van een kinderalimentatie van € 945,-, naar het hof begrijpt, per maand.

3.5

De vader heeft [de minderjarige] op 16 maart 2019 voor het laatst gezien.

3.6

De moeder heeft de huur van haar woning in [A] opgezegd per 1 april 2019. Sinds half april 2019 staan de moeder en [de minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als ‘geëmigreerd’.

3.7

Bij tussenbeschikking van 17 april 2019 heeft de rechtbank iedere beslissing aangehouden en aan de raad verzocht te rapporteren en adviseren over het ouderlijk gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.8

Bij beschikking van 25 april 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 3 juni 2019.

3.9

Op 28 mei 2019 heeft de raad gerapporteerd en – voor zover hier van belang – geadviseerd het verzoek van de vader om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] toe te wijzen. De raad heeft zich onthouden van een advies betreffende het vaststellen van een omgangsregeling.

3.10

Bij brief van 9 juli 2019 heeft de vader zijn verzoeken aangevuld, in die zin dat hij de rechtbank verzoekt te bepalen dat de moeder samen met [de minderjarige] dient terug te verhuizen naar Nederland dan wel de gemeente Utrecht en de moeder te verbieden om [de minderjarige] wederom buiten de Nederlandse landsgrenzen te brengen zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de moeder in gebreke blijft haar medewerking te verlenen, althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank juist acht, en te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben, waarbij de vader wordt gemachtigd om de beschikking ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, althans de vader te machtigen om de tenuitvoerlegging van de verandering van de hoofdverblijfplaats te bewerkstelligen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de moeder geen gehoor geeft aan de verandering van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , althans een zodanige voorziening te treffen als de rechtbank juist acht.

3.11

Bij beschikking van 18 juli 2019 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 18 juli 2020.

4 De omvang van het geschil

5 De motivering van de beslissing

6 De slotsom

7 De beslissing