Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6929, 200.281.586/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-08-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6929, 200.281.586/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 21 augustus 2020
- Datum publicatie
- 8 oktober 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:6929
- Zaaknummer
- 200.281.586/01
Inhoudsindicatie
In onderstaand geschil verzet de gefailleerde zich tegen de ontruiming door de curator van het door haar bewoonde woonhuis. Zij voert daartoe inhoudelijke maar vooral formele gronden aan.
Het hof oordeelt dat voor de curator in de Faillissementswet (Fw) geen afzonderlijke rechtsgang is gegeven ter verkrijging van een ontruimingstitel. Hij dient daarom in kort geding bij de voorzieningenrechter ontruiming vorderen.
De gefailleerde bestrijdt de door de rechter-commissaris gegeven toestemming tot verkoop van de te ontruimen woning als volgt:
a) er is geen geldige toestemming gegeven;
b) de uitvoerbaarheid van de beschikking tot toestemming is geschorst door een daartegen door de failliet ingesteld beroep op grond van artikel 67 Fw;
c) het ontbreken van toestemming is een in de koopovereenkomst genoemde opschortende voorwaarde;
De door een rechter-commissaris gegeven toestemming als bedoeld in artikel 176 lid Fw is geen rechtspraak in de eigenlijke zin.
De rechter beslist niet inzake een geschil of op een verzoek een rechtstoestand tot stand te brengen of te wijzigen.
Deze toestemming maakt deel uit van de aan de rechter toegedeelde taak toezicht als bedoeld in artikel 64 Fw te houden.
Zij ziet op het wettelijk vereiste dat de curator zich voorafgaand aan de verkoop van een boedelbestanddeel moet verstaan met de rechter-commissaris.
De vorm waarin die toestemming wordt gegeven is vrij en hangt af van de omstandigheden van het geval. Zij kan ook achteraf worden verleend.
Voldoende is dat uit het digitale systeem waarvan de rechter-commissaris zich bedient in zijn communicatie met de curator blijkt dat (achteraf) toestemming is gegeven.
De verleende toestemming is niet uitvoerbaar en kan daarom niet 'uitvoerbaar' bij voorraad worden verklaard.
Derhalve heeft een tegen de toestemming (in enig beroep) gemaakt bezwaar geen schorsende werking op de uitvoerbaarheid van de toestemming.
De bezwaren van de gefailleerde betreffende het ontbreken van een (spoedeisend) belang van de curator bij een ontruimingstitel worden op insolventierechtelijke en feitelijke gronden verworpen.
Ook het argument dat de kwetsbaarheid van de gefailleerde (mede gezien haar hoge leeftijd) voor besmetting met het Covid-19 virus wordt gepasseerd.
De curator heeft de gefailleerde gedurende meer dan een jaar herhaald en indringend gewaarschuwd voor de ontruiming. Zij heeft daarop geen aktie ondernomen maar vastgehouden aan haar standpunt dat zij de woning niet wenst te verlaten.
De gefailleerde betoogt voorts dat de curator niet beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de gehele woning.
Dit omdat de eigendom daarvan slechts ten dele toekomt aan de gefailleerde en voor eenderde deel ook aan haar twee kinderen als erfgenamen van hun tijdens het faillissement overleden vader, de echtgenoot van gefailleerde.
Gefailleerde is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met haar echtgenoot.
Het hof overweegt dat ten tijde van de faillietverklaring de woning behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap en dat deze op grond van artikel 63 Fw onderdeel ging uitmaken van de faillissementsboedel waarover de curator exclusief beschikkingsbevoegd was (artikel 68 Fw).
Het hof motiveert op zowel erfrechtelijke als insolventierechtelijke gronden dat de curator beschikkingsbevoegd is ten aanzien van de gehele woning. Het hof staat tevens stil bij de ratio van artikel 63 Fw.
Het standpunt dat tussen de gefailleerde en de curator (stilzwijgend) een huurovereenkomst tot stand is gekomen wordt verworpen.
Het argument dat door de gefailleerde (en/of haar kinderen) tijdens het faillissement de maandelijkse hypotheekverplichtingen aan de bank zijn voldaan, is daartoe onvoldoende.
Aan de failleerde komt derhalve geen beroep toe op huurbescherming.
Het hof heeft op de door de gefailleerde ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de executie ter zitting op 12 augustus 2020 mondeling uitspraak gedaan. Hij heeft daarbij die schorsing toegewezen.
Het hof had ter zitting toegezegd dat hij uiterlijk 21 augustus 2020 (schriftelijk) uitspraak zou doen (tien dagen voor de datum waarop de curator contractueel gehouden was de woning leeg en ontruimd te leveren)..
De curator deelde daarop mee dat hij die uitspraak niet zou afwachten maar op 13 augustus 2020 zou overgaan tot de feitelijke ontruiming op grond van de in dit hoger beroep bestreden titel tot ontruiming.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, sector handel
zaaknummer gerechtshof 200.281.586
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, KG ZA 20-148)
arrest van 21 augustus 2020 in kort geding
in de zaak van
[appellante] , wonende te [A] ,
appellante, in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. H. Loonstein, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen
Mr. Gerard Willem Breuker, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellante] , kantoorhoudend te Groningen,
geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser,
hierna: de curator,advocaat: mr. T. van Dijken, kantoorhoudend te Groningen.
1 Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 31 juli 2020 van de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de voorzieningenrechter).
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure is als volgt:- de appeldagvaarding van 5 augustus 2020 met daarin de grieven;- de memorie van antwoord met producties; - de brief van 12 augustus 2020 van mr. Loonstein met een H16-formulier en een productie; - de op 12 augustus 2020 gehouden mondelinge behandeling;
- de spreekaantekeningen van mr. Loonstein.
[appellante] vordert in hoger beroep (verkort weergegeven) vernietiging van het vonnis van 31 juli 2020 en afwijzing van de vorderingen van de curator. Daarnaast verzoekt [appellante] bij wijze van incidentele vordering schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis. Ten slotte vordert [appellante] veroordeling van de curator in de proceskosten in zowel eerste aanleg als in hoger beroep.
Het hof heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan inzake het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis in eerste aanleg en heeft daarbij dat verzoek toegewezen.
Het hof heeft arrest bepaald op 21 augustus 2020.
3 De feiten
De voorzieningenrechter heeft in haar vonnis onder 2 (2.1 tot en met 2.35) een aantal feiten vastgesteld waartegen geen grief is gericht. Voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang gaat het om het volgende.
[appellante] was tot aan diens overlijden op 17 december 2018 in gemeenschap van goederen gehuwd met [B] (verder: [B] ). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: [C] en [D] .
[appellante] is sinds 11 december 2001 eigenaar en bewoonster van het pand staande en gelegen aan de [a-straat] 9 te [A] , kadastraal bekend gemeente Groningen, sectie [Y] , nummer [0000] .
Op het pand zijn twee hypotheekrechten gevestigd. Een eerste hypotheekrecht in 2004 ten gunste van Van Lanschot Kempen Wealth Management N.V. en een tweede in 2005 ten gunste van ABN AMRO Bank N.V. (verder: ABN AMRO) [appellante] heeft aan ABN AMRO tevens een borgstelling verstrekt voor € 250.000,-. Het hypotheekrecht strekt tevens tot zekerheid van hetgeen [appellante] uit hoofde van deze borgstelling verschuldigd is.
Op vordering van de curatoren in het faillissement van Maas Shipyard heeft de Rechtbank Groningen bij vonnis van 30 juli 2008 (onder meer) voor recht verklaard dat [appellante] naast Maas Beheer en Maas Onroerend Goed hoofdelijk aansprakelijk is voor tachtig procent van het boedeltekort in het faillissement van Maas Shipyard en heeft hen hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van dat boedeltekort, tot aan het vonnis begroot op € 6.032.815,01. Verder heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld tot vergoeding van tachtig procent van het boedeltekort voor het overige.
In hoger beroep tegen het onder 3.5 genoemde vonnis heeft het hof dit vonnis vernietigd voor zover de vordering van de curatoren daarin gematigd waren tot tachtig procent en heeft de vorderingen van de curatoren alsnog volledig toegewezen. Het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is, voor wat betreft [appellante] , verworpen.
Op verzoek van de curatoren in het faillissement van Maas Shipyard heeft de Rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 22 mei 2018 [appellante] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Breuker voornoemd als curator. Het hoger beroep tegen dit vonnis is door het hof bij arrest van 20 juni 2018 verworpen. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 15 maart 2019 verworpen.
ABN AMRO heeft bij de curator bij brief van 6 juni 2018 uit hoofde van de onder 3.4 genoemde borgstelling een vordering ingediend van € 250.000,-. Van Lanschot heeft bij de curator bij brief van 26 juni 2018 een vordering van € 599.617,74 ingediend.
Van Lanschot heeft bij brief aan [appellante] van 1 april 2019 onder meer mee meegedeeld: "(...)De pro-resto hoofdsom van de aflossingsvrije hypotheek met leningnummer [0001] bedraagt per heden € 299.617,27 en de pro-resto hoofdsom van de aflossingsvrije hypotheek met leningnummer [0002] bedraagt per heden € 300.000,-. Wij zeggen deze kredieten op per heden. (...)"
[appellante] heeft haar schuld aan Van Lanschot hierna niet afgelost.
De curator heeft op 22 maart 2019 een bespreking met [appellante] gehad, tijdens welke hij haar heeft meegedeeld dat het pand op korte termijn zal worden verkocht. Hij heeft [appellante] verzocht op zoek te gaan naar vervangende woonruimte.
Notaris Kluitenberg te Kollum heeft, nadat [B] op 17 december 2018 was overleden, een verklaring van erfrecht van 15 april 2019 opgesteld. Daarin is onder meer vermeld:"(...)5. VerervingVolgens de Nederlandse wet (mede gelet op voormelde uiterste wilsbeschikking(en) heeft de overledene als erfgenamen achtergelaten:1. zijn echtgenote, mevrouw [appellante] , voornoemd, voor het één/derde (l/3e) onverdeeld aandeel;2. zijn zoon, de heer [C] , voornoemd voor het één/derde (l/3e) onverdeeld aandeel;3. zijn dochter, mevrouw [D] , voornoemd, voor het één/derde (l/3e) onverdeeld aandeel.(...)9. Ontbonden huwelijksgemeenschapDe nalatenschap omvat, naast eventueel eigen vermogen van de overledene, de helft van de door het overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap.(...)11. Beschikkingsbevoegdheid erfgenamenOp grond van voormeld faillissement (Hof: bedoeld is het faillissement van [appellante] ) zijn de erfgenamen niet tezamen bevoegd om over de goederen van de ontbonden gemeenschap van goederen en de daar onder begrepen nalatenschap van de overledene te beschikken. (...)"
De kinderen hebben de nalatenschap van [B] beneficiair aanvaard.
[appellante] ontvangt maandelijks € 1.187,43 van de curator. Hiervan betaalt zij o.m. de hypothecaire lasten van het pand.
[appellante] weigert (volledig) mee te werken aan de door de curator gewenste verkoop van het pand. Zo heeft zij bezichtigingen door gegadigden voor het pand gehinderd. In verband hiermee heeft op 12 december 2019 een verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris in het faillissement plaatsgevonden. Deze heeft [appellante] bij brieven van 7 januari 2020 en 14 januari 2020 meegedeeld dat zij haar volledige medewerking moet verlenen aan de curator bij het beheer en de vereffening van de boedel waartoe ook de woning behoort en dat, als zij dat niet doet, een voordracht tot inbewaringstelling kan volgen.
Op 19 februari 2020 is [appellante] nogmaals door rechter-commissaris gehoord. Bij, op voordracht van de rechter-commissaris gegeven, beschikking van 20 februari 2020 heeft de rechtbank bevolen dat [appellante] in verzekerde bewaring zal worden gesteld. Op 13 maart 2020 is [appellante] in bewaring gesteld. [appellante] heeft diezelfde dag hoger beroep tegen voornoemde beschikking ingesteld en is diezelfde dag ook weer in vrijheid gesteld.
Bij beschikking van 17 maart 2020 heeft de rechtbank opnieuw de inbewaringsstelling van [appellante] bevolen. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 20 februari 2020 en 17 maart 2020. Bij arrest van 2 april 2020 heeft het hof beide beschikkingen vernietigd. De curator heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.
De curator heeft op 4 juni 2020 de rechter-commissaris digitaal - via het in faillissementen gebruikte systeem 'Toezicht' - om toestemming verzocht voor het aangaan van de koopovereenkomst met betrekking tot het pand voor een koopsom van € 1.095.000,-. In Toezicht corresponderen rechtbank en curatoren met elkaar inzake faillissementsdossiers. Op 5 juni 2020 is in Toezicht geregistreerd dat de verzochte toestemming is verleend.
De curator heeft op of omstreeks 10 juni 2020 een koopovereenkomst betreffende het pand gesloten met een derde ( [E] ). De koopprijs bedraagt € 1.095.000,-. Dit bedrag is gelijk aan de vraagprijs. In artikel 1.5. van de koopovereenkomst is bepaald dat het pand vrij van beperkingen, zijnde bewoning, hypotheken en beslagen zal worden geleverd. Art. 4.2. van de koopovereenkomst vermeldt dat de koopovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde van verkregen toestemming van de rechter-commissaris in het faillissement van [appellante] .
De curator heeft [appellante] bij brief van 16 juni 2020 onder meer meegedeeld:"De door u bewoonde woning aan de [a-straat] 9 is onlangs door mij verkocht aan de heer [E] voor een bedrag van EUR 1.095.000,- k.k., zijnde de vraagprijs van het pand. Met de koper heb ik afgesproken dat het pand zo snel mogelijk door mij zal worden geleverd, doch uiterlijk op 1 september 2020. Het pand moet leeg en ontruimd worden opgeleverd aan de koper.Hierbij verzoek ik uw medewerking aan het ordentelijk doen verlopen van uw vertrek uit de woning.(...)Hoewel ik ervan uitga dat u vrijwillig zult meewerken en de woning zult verlaten, verzoek ik u om mee te werken aan het vastleggen van de ontruimingsverplichting in een notariële akte, welke ten uitvoer gelegd kan worden indien u toch niet vrijwillig meewerkt. Mijn voorstel is om notarieel vast te leggen dat u binnen acht weken na heden de woning zult verlaten, uiterlijk op 11 augustus 2020. De termijn is iets eerder dan 1 september 2020, omdat deze datum een uiterste leveringsdatum betreft. Bovendien heb ik dan enige tijd om een gedwongen ontruiming - mocht dat onverhoopt noodzakelijk zijn - voor 1 september 2020 feitelijk te kunnen bewerkstelligen, met inachtneming van de formaliteiten. (...)
Graag verneem ik binnen een week na heden of u bereid bent om mee te werken aan de ontruimingsverplichting in een notariële akte. Zo niet, dan ontvang ik graag uw verhinderdata over de komende vier weken ten behoeve van een ontruimingsprocedure. (...)''
[appellante] heeft niet op dit verzoek gereageerd.
[appellante] en haar kinderen hebben op 13 juli 2020 bij de rechter-commissaris een verzoek ex art. 69 Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend. Dat verzoek houdt in:(I) inventarisatie van hetgeen de schuldeisers nog te vorderen zouden hebben van [appellante] ;(II) honoreren verzet van [appellante] en kinderen tegen de onderhandse verkoop woning aan de [a-straat] 9 te [A] , althans niet voordat de belangen van de erven zijn veilig gesteld;(III) als verkoop op enig moment nodig zou zijn, te bepalen of curator zich schuldig maakt aan misbruik van recht;(IV) te bepalen dat ontruiming van de woonruimte niet behoeft plaats te vinden, in ieder geval zolang de gefailleerde geen geschikte andere woonruimte heeft, althans in ieder geval in afwachting van het uitvoeren van de verzoeken onder I en III;(V) te bepalen dat, als aanleiding is voor verkoop woning, openbare verkoop moet plaatsvinden, nu dit meer zal opleveren.
De rechter-commissaris heeft [appellante] en haar kinderen bij beschikking van 4 augustus 2020 niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is door [appellante] op 10 augustus 2020 hoger beroep ingesteld bij de rechtbank.
[appellante] heeft op 13 juli 2020 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 5 juni 2020 tot het verlenen van toestemming aan de curator tot verkoop van het pand. [appellante] voert aan dat sprake is van een doorbrekingsgrond voor het appèlverbod tegen een dergelijke beslissing, nu zij ten onrechte niet door de rechter-commissaris is gehoord voorafgaand aan haar beslissing waarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, essentiële informatie door de curator aan de rechter-commissaris is onthouden en de curator niet beschikkingsbevoegd was om gehele pand te verkopen. De toestemming voor verkoop van het pand is volgens [appellante] ten onrechte verleend. [appellante] verzoekt het of hof daarom de bestreden beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen. Het door [appellante] ingestelde hoger beroep is door het hof verwezen naar de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 67 Fw.