Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-11-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9511, 200.259.163/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-11-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9511, 200.259.163/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 november 2020
- Datum publicatie
- 19 november 2020
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:9511
- Zaaknummer
- 200.259.163/01
Inhoudsindicatie
ING beweert dat zij door appellanten c.s. onrechtmatig is benadeeld: zij stelt een lening te hebben verstrekt aan Import Vredenburg (BV), waarvoor zij een pandrecht kreeg op alle activa van de vennootschap. In het zicht van het faillissement van de vennootschap zijn de activa in strijd met de pandrechten van ING vervreemd. Alle schuldeisers behalve ING zijn (deels) betaald. ING verwijt appellanten c.s. dat zij als indirecte bestuurders van Import Vredenburg onrechtmatig hebben gehandeld, waardoor ING schade heeft geleden. Bekrachtiging van veroordelend vonnis.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.259.163/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/160186)
arrest van 17 november 2020
in de zaak van
1 [appellant] ,
wonende te [A] ,
hierna: [appellant],
2. [appellante] ,
wonende te [A] ,
hierna: [appellante],
appellanten,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,
advocaat: mr. R.S. van der Spek, kantoorhoudend te Leeuwarden, die schriftelijk heeft gepleit,
tegen
ING Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: ING,
advocaat: mr. T.J.P. Jager, kantoorhoudend te Amsterdam, die schriftelijk heeft gepleit.
1 Het verloop van de procedure
[appellanten] c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland in Leeuwarden op 6 maart 2019 tussen hen en ING heeft gewezen. De bezwaren zijn uitgewerkt in een memorie van grieven. Daarop heeft ING geantwoord. Vervolgens hebben beide partijen hun standpunten schriftelijk bepleit, en hebben zij dossiers aan het hof gestuurd met het verzoek uitspraak te doen.
2 Waar gaat deze zaak over?
Aan de basis van deze procedure ligt de stelling van ING dat zij door [appellanten] c.s. onrechtmatig is benadeeld: ING stelt een lening te hebben verstrekt aan Import Vredenburg (BV), waarvoor zij een pandrecht kreeg op alle activa van de vennootschap. In het zicht van het faillissement van de vennootschap zijn de activa in strijd met de pandrechten van ING vervreemd. Alle schuldeisers behalve ING zijn (deels) betaald. ING verwijt [appellanten] c.s. dat zij als indirecte bestuurders van Import Vredenburg onrechtmatig hebben gehandeld, waardoor ING schade heeft geleden.
[appellanten] c.s. waren via Vredenburg Beheer (BV) indirect bestuurders van Import Vredenburg, dat zich bezighield met de handel in elektronische huishoudelijke apparatuur, reinigingssystemen en aanverwante artikelen. Op 28 december 2017 is deze vennootschap ontbonden en op 4 januari 2018 is zij uit het handelsregister uitgeschreven. De rechtsvoorganger van ING (Postbank) had Import Vredenburg jaren daarvoor een bedrijfskrediet verstrekt. Daarbij is het volgende overeengekomen.
Zekerheden: Voor al hetgeen de Kredietnemer aan de Kredietgever schuldig is of wordt, gelden de volgende zekerheden:
Nog te vestigen zekerheden: Verpanding Bedrijfsactiva:
Tot zekerheid van al hetgeen de Kredietnemer schuldig is of wordt aan de Kredietgever, verpandt de Kredietnemer hierbij, voor zover nodig bij voorbaat, aan de Kredietgever, die deze verpanding aanvaardt, alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva zoals omschreven in de Algemene Bepalingen van Pandrecht, voor zover niet eerder aan de Kredietgever verpand: deze Bedrijfsactiva omvatten in ieder geval de Bedrijfsuitrusting, Tegoeden, Vorderingen en Voorraden behorende tot het bedrijf van de Kredietnemer. Tevens verbindt de Kredietnemer zich om aan de Kredietgever te verpanden al zijn toekomstige vorderingen die hij op derden - uit welken hoofde ook - zal verkrijgen uit ten tijde van deze verpanding nog niet bestaande rechtsverhoudingen.
Op 23 december 2015 heeft ING Import Vredenburg geschreven dat de kredietfaciliteit al geruime tijd een niet-toegestane overschrijding van de verleende kredietlimiet vertoonde, dat er geen of nauwelijks omzet over de zakelijke rekening plaatsvond en dat daardoor bij haar een gegronde vrees bestond voor de onverhaalbaarheid van haar vordering. Het totale debetsaldo bedroeg volgens ING € 48.662,09. Dit bedrag werd door het automatisch eindigen van de kredietverlening opeisbaar. ING heeft Import Vredenburg aangemaand tot betaling van dit saldo. In deze brief heeft ING Import Vredenburg ook het recht ontzegd om, anders dan in het kader van de normale bedrijfsvoering, de aan de ING verbonden zekerheden te vervreemden: "Daarnaast maken wij gebruik van het recht van de bank om u, anders dan in het kader van de normale bedrijfsvoering, de vervreemding van de aan de ING verbonden zekerheden met ingang van heden te ontzeggen. Indien noodzakelijk zijn wij ter behoud van haar rechten bevoegd om namens de ING de afgifte van de verpande zaken te vorderen. Daarom dient u deze zaken tot onze beschikking te houden".
Op 4 februari 2016 hebben [appellanten] c.s. de crediteuren van Import Vredenburg een saneringsvoorstel gedaan, waarbij aan de belastingdienst, accountant Bentacera, de (vroegere) verhuurder en ING een aanbod is gedaan tot gedeeltelijke betaling van de
openstaande schulden tegen finale kwijting. Daarbij is opgemerkt dat [appellanten] c.s. hiervoor een in privé te ontvangen uitkering van de verzekeringsmaatschappij van ongeveer € 75.000,- volledig wilden gebruiken. ING heeft als enige niet met dit voorstel ingestemd.
In de jaarrekening 2016 van Import Vredenburg is aan materiële vaste activa (vervoermiddelen) per 31 december 2015 € 32.358,- opgenomen en aan voorraden en vorderingen € 18.000,- respectievelijk € 21.683,-. Het totaal aan activa (met inbegrip van de aanwezige liquide middelen van € 5.875,-) beliep per 31 december 2015 € 77.916,-. Per
31 december 2016 is de waarde van de activa op nihil gesteld. Onder de langlopende schulden (passiva) zijn in de jaarrekeningen de leaseverplichtingen ter zake van twee auto's van Import Vredenburg opgenomen. Deze financiering is gedurende het boekjaar 2016 afgelost (in totaal € 5.285,-).
In een brief van 8 maart 2017 bij deze jaarrekening heeft de heer [B] , werkzaam bij adviseur Bentacera, aan ING meegedeeld dat in 2016 sanering van diverse crediteurenbedragen heeft plaatsgevonden, dat een deel is afgelost onder algehele kwijting en dat daarvoor in het resultaat een bate van € 122.000,- is opgenomen. Behalve ING zijn de schuldeisers dat jaar conform het saneringsvoorstel betaald. Hiervoor hebben [appellanten] c.s. volgens [B] uit privémiddelen gelden gestort in de onderneming. Bovendien zijn de activa van de onderneming te gelde gemaakt en zijn de vorderingen op de debiteuren geïncasseerd. Ook de lopende financiële verplichtingen zijn naar zijn zeggen afgelost.
Op 5 december 2017 heeft ING [appellanten] c.s. meegedeeld dat zij gezien hun handelen als (indirect) bestuurders en de onrechtmatigheid daarvan in privé aansprakelijk zijn voor de schade die ING heeft geleden, en die bestaat uit de onbetaald gebleven vordering van ING (de hoofdsom van € 54.502,67 per 28 november 2017 en wettelijke rente). ING heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellanten] c.s. worden veroordeeld tot betaling van deze hoofdsom, rente en kosten. Die vordering is toegewezen, met uitzondering van buitengerechtelijke incassokosten. Het hoger beroep heeft de strekking dat de vordering alsnog geheel moet worden afgewezen.