Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-12-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11400, 200.288.726

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-12-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11400, 200.288.726

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14 december 2021
Datum publicatie
16 december 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:11400
Zaaknummer
200.288.726

Inhoudsindicatie

Artikelen 94a Sv, 118a Sv en 552a Sv; Derdenbeslag, schuldeisersverzuim.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.288.726

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht: 510687)

arrest in kort geding van 14 december 2021

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

M.D.K. Holdings Limited,

gevestigd te Hong Kong,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: M.D.K,

advocaat: mr. T. van Malssen,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

Cypresbaan Investment V.O.F.,

gevestigd te De Meern,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Cypresbaan,

advocaat: mr. dr. ing. A.J. Verdaas,

2. de rechtspersoon naar Nederlands recht

De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid),

zetelend te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. I.C. Engels.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 mei 2021 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de spreekaantekeningen van alle drie de partijen van de zitting van 28 oktober 2021. Hierbij is akte verleend van productie 36, die bij bericht van 11 oktober 2021 namens Cypresbaan is ingebracht en van productie 28 die bij bericht van 15 oktober 2021 namens M.D.K is ingebracht;- het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2021;

- de brief van mr. Verdaas van 3 december 2021 met daarin een opmerking ten aanzien van pagina 6 van het proces-verbaal (ten aanzien van de gang van zaken rond het eerste kort geding);

- de brief van mr. Engels van 7 december 2021 met daarin een opmerking ten aanzien van pagina 7 van het proces-verbaal (ten aanzien van het gebruik van aanvullende voorwaarden bij zekerheidstelling).

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald (op het door M.D.K. voor de zitting overgelegde dossier).

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen

2.1

tot en met 2.9 van het (bestreden) vonnis van de voorzieningenrechter van 14 december 2020, hersteld bij vonnis van 17 december 2020.

Daarnaast gaat het hof uit van de navolgende feiten:

a. Het kantoorpand aan de Philipsstraat te Leusden (hierna: het registergoed) is uiteindelijk niet geleverd aan de koper met wie Cypresbaan ten tijde van het kort geding in eerste aanleg een koopovereenkomst had gesloten. Cypresbaan diende het registergoed op 14 december 2020 (onbelast met het hypotheekrecht) te leveren. Op 14 december 2020 waren de beslagen echter nog niet opgeheven en het hypotheekrecht van M.D.K. nog niet doorgehaald. De koper heeft zich toen beroepen op de ontbindende voorwaarde ter zake.

b. Het registergoed is inmiddels verkocht en op 1 april 20211 geleverd aan een andere koper (hierna: de tweede koper).

c. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen M.D.K. en mevrouw [de bestuurster] vindt plaats in november 2021.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. Cypresbaan heeft ter financiering van het registergoed een geldleningsovereenkomst (hierna: de geldleningsovereenkomst) met M.D.K. gesloten ter hoogte van € 1,2 miljoen. Tot zekerheid van de terugbetaling van de geldlening is ten behoeve van M.D.K. een recht van hypotheek op het registergoed gevestigd (hierna: het hypotheekrecht). Op grond van de geldleningsovereenkomst moest Cypresbaan de lening op 10 oktober 2018 terugbetalen. Op 10 oktober 2017 waren er inmiddels door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) vanwege een strafrechtelijk onderzoek naar M.D.K. en haar bestuurster mevrouw [de bestuurster] verschillende conservatoire derdenbeslagen ex artikel 94a Sv gelegd, waaronder twee conservatoire derdenbeslagen onder één van de vennoten van Cypresbaan en onder diens bestuurder. Op 11 maart 2020 heeft het OM (ten laste van M.D.K. en mevrouw [de bestuurster] ) conservatoir derdenbeslag gelegd onder Cypresbaan op de vordering van M.D.K. op Cypresbaan uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. Dit beslag diende tot bewaring van het recht van verhaal van een, naar verwachting van het OM, aan M.D.K. en mevrouw [de bestuurster] op te leggen maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 94a lid 2 Wetboek van Strafvordering, hierna Sv).

3.2

Cypresbaan wilde haar onderneming echter herfinancieren onder gunstigere voorwaarden dan die M.D.K. had bedongen dan wel zij wilde het registergoed verkopen. Omdat de beslagen aan het voorgaande in de weg stonden, hebben Cypresbaan en het OM een constructie bedacht waarbij het OM bereid was om de beslagen onder zekerheidstelling op te heffen op grond van artikel 118a Sv (hierna: de constructie). De constructie hield in dat het bedrag dat Cypresbaan aan M.D.K. was verschuldigd op een bankrekening van het OM zou worden gestort en dat dat bedrag vervolgens in depot zou worden gehouden totdat er in de strafzaak zou zijn beslist. Daarbij stelde het OM als voorwaarde dat het (op die rekening gestorte) bedrag niet alleen tot zekerheid strekt van een aan M.D.K. op te leggen i) ontnemingsmaatregel, maar ook van een - uit de strafzaken tegen M.D.K. en mevrouw [de bestuurster] voortvloeiende ii) geldboete, iii) verbeurdverklaring van enig bedrag/profijtvordering, iv) ontnemingsschikking of transactie, v) verplichting tot schadevergoeding aan een benadeelde partij en vi) bijkomende financiële verplichting die is gekoppeld aan de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis van mevrouw [de bestuurster] .

De betaling door Cypresbaan op de bankrekening van het OM zou gaan gelden als bevrijdende aflossing jegens M.D.K. en daarmee zou het hypotheekrecht komen te vervallen.

3.3

M.D.K. weigerde om aan de bovenstaande constructie mee te werken omdat zij het

er niet mee eens was dat de zekerheid strekte tot verhaal van meer dan een eventuele ontnemingsmaatregel; zij zou daarmee slechter af zijn dan wanneer de beslagen zouden blijven liggen. Nadat Cypresbaan in een eerder kort geding alleen M.D.K. had gedagvaard (en de vordering werd afgewezen omdat de Staat niet in de procedure was betrokken), heeft Cypresbaan in deze procedure zowel M.D.K. als de Staat gedagvaard. Cypresbaan vordert in deze procedure veroordeling van M.D.K. en de Staat tot medewerking aan zekerheidstelling op grond van artikel 118a Sv tot een door de voorzieningenrechter bepaald bedrag, met gehele of gedeeltelijke opheffing van de beslagen door het OM en met veroordeling van M.D.K. tot doorhaling van het hypotheekrecht, met bepaling dat het vonnis dezelfde kracht heeft als de overeenkomst die M.D.K. en de Staat verplicht worden te sluiten.

3.4

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis2 M.D.K. veroordeeld om met Cypresbaan en de Staat een overeenkomst te sluiten zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.25 van het vonnis (hierna: de Overeenkomst) en de voorzieningenrechter heeft ook de Staat veroordeeld om met Cypresbaan en M.D.K. deze Overeenkomst te sluiten. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat het vonnis dezelfde kracht heeft als de Overeenkomst tot het sluiten waarvan M.D.K. en de Staat zijn veroordeeld en hij heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5

Inmiddels is uitvoering gegeven aan het bestreden vonnis. Het registergoed is, zoals al is overwogen, op 1 april 2021 geleverd aan de tweede koper.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5 De slotsom

6 De beslissing