Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-02-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1728, 200.281.516
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-02-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1728, 200.281.516
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 februari 2021
- Datum publicatie
- 25 februari 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:1728
- Zaaknummer
- 200.281.516
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming. Rijksvaccinatieprogramma.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.281.516
(zaaknummer rechtbank Gelderland 368340)
beschikking van 23 februari 2021
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. K.R. Koopman te Zeist,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
verweerster,
gevestigd te Utrecht,
verder ook te noemen: de GI,
en
[verweerder] ,
wonende te [B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.M. Peet te Rotterdam.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige1] ,
de pleegouders van [de minderjarige2] ,
de pleegouders van [de minderjarige3] .
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 maart 2020 en van kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 3 juni 2020 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 augustus 2020;
- het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader, met producties;
- het verweerschrift van de GI;
- het verweerschrift van de moeder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.
De mondelinge behandeling heeft op 26 januari 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [C] verschenen. Namens de GI zijn verschenen [D] en [E] . Voorts zijn als informant verschenen [F] , pleegvader van [de minderjarige1] , en de heer en mevrouw [G] , pleegouders van [de minderjarige3] .
3 De feiten
Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren te [H] [in] 2013,
- [de minderjarige2] , geboren te [H] [in] 2015, en
- [de minderjarige3] , geboren te [H] [in] 2016,
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen op grond van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 april 2020, die het hof bij beschikking van heden heeft bevestigd. Tot 16 april 2020 was de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen.De ouders hebben hun relatie in 2017 verbroken. De kinderen woonden bij de moeder.
Op 5 mei 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (verder: SAVE). De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, voor het laatst tot 21 mei 2021. Op 1 maart 2020 is SAVE als gecertificeerde instelling opgevolgd door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering.
Bij beschikking van 23 september 2019 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor alle drie kinderen. In november en december 2019 zijn de kinderen in drie verschillende pleeggezinnen geplaatst.