Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-04-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3206, 200.255.317/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-04-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3206, 200.255.317/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 6 april 2021
- Datum publicatie
- 15 april 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:3206
- Zaaknummer
- 200.255.317/01
Inhoudsindicatie
Privacy. Onrechtmatig handelen.
Appellant wenst dat zijn gegevens weggehaald worden van de websites van Stichting SIN, onder meer van de zwartelijstartsen. Anders dan de rechtbank wijst het hof de vordering toe. De door Stichting SIN omschreven doelen, namelijk verbetering van de positie van slachtoffers van medische fouten en de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg, wordt niet gerechtvaardigd door het blijven vermelden van de naam van appellant op de zwartelijstartsen van haar websites en de daaraan gekoppelde hyperlink naar de uitspraken van het CTG uit 2010. Stichting SIN handelt hier jegens appellant onrechtmatig. De vermelding is ook disproportioneel nu appellant ook niet meer is terug te vinden in het BIG-register omdat hij meer dan 10 jaar geleden is doorgehaald.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.255.317
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 5820486)
arrest van 6 april 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
advocaat: mr. R.M.W. de Haan,
tegen:
de stichting
Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde,
hierna: Stichting SIN,
advocaat: mr. D. Fasseur.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
In het tussenarrest van 21 juli 2020 heeft het hof een comparitie van partijen gelast die op 5 november 2020 heeft plaatsgevonden. Ten behoeve van deze zitting heeft appellant nog bij akte de producties 11 t/m 19 overgelegd. De advocaten van beide partijen hebben spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Bij het laatste woord van Stichting SIN heeft haar voorzitter mevrouw [B] de leden van het hof gewraakt. De wrakingskamer van dit hof heeft bij beslissing van 24 december 2020 het verzoek tot wraking van de zittingscombinatie afgewezen.
Daarna is per brief van 7 januari 2021 aan partijen bericht dat de zaak is verwezen naar de rol voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2 De feiten
Voor de feiten verwijst het hof naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:5152).
Kort gezegd gaat het om het volgende: appellant is werkzaam geweest als gezondheidszorgpsycholoog (GZ-psycholoog) en is in die hoedanigheid ingeschreven geweest in het BIG-register. Bij beslissing(en) van het CTG van 2 september 2010 is appellant als GZ-psycholoog in het BIG-register doorgehaald (voor feiten die plaatsvonden in/omstreeks 2004). Stichting SIN zet zich volgens haar eigen website in voor de verbetering van de positie van slachtoffers van medische fouten en voor de verbetering van de kwaliteit van de gezondheidszorg. Op de website van Stichting SIN (www.sin-nl.org) staat appellant met zijn naam vermeld op een ‘zwartelijstartsen’ en wordt met zijn naam door middel van een hyperlink verwezen naar twee (geanonimiseerde) uitspraken van het CTG van 2 september 2010 waarin de zaak en de verweten gedragingen zijn beschreven en op welke grondslag(en) de maatregel van doorhaling is opgelegd. De (toenmalig) advocaat/vertegenwoordiger van appellant heeft per e-mail van 27 oktober 2016 Stichting SIN verzocht zijn naam, foto en andere teksten te verwijderen. Daarop heeft Stichting SIN de foto en de gewraakte teksten (deels) verwijderd maar niet de verwijzing en links naar de uitspraken van het CTG.
3 De procedure voor de rechtbank
Met de inleidende dagvaarding van 14 maart 2017 heeft appellant de onderhavige zaak gestart en onder meer gevorderd, kort gezegd, veroordeling van Stichting SIN om zijn persoonsgegevens te verwijderen van de websites van Stichting SIN, onder verbeurte van een dwangsom, en tot betaling van (immateriële) schade. De rechtbank heeft in het vonnis van 24 oktober 2018 de vorderingen van appellant afgewezen en hem veroordeeld tot betaling van de proceskosten.