Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-05-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4712, 200.278.045

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-05-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4712, 200.278.045

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 mei 2021
Datum publicatie
20 mei 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:4712
Zaaknummer
200.278.045

Inhoudsindicatie

Hoger beroep; incidenten ex 162 en 843a Rv; negatieve vordering van derdenhypotheekgever tegen uitwinning door hypothecaire schuldeiser; bewijsgevolgen boekenclausule; bevel aan hypothecaire schuldeiser om afschrift in het geding te brengen van:

-de vennootschappelijke jaarrekeningen over de boekjaren 2010 tot en met 2016 en

-de onderliggende boekingsstukken uit de administratie behorend bij de grootboekrekening over de jaren 2010 tot en met 2016;

en bevel aan hem om de (gehele) boekhouding wat betreft de administratie (boeken, bescheiden en geschriften) over de jaren 2010 tot en met 2016 beschikbaar te houden ten behoeve van eventueel nader onderzoek in de hoofdzaak;

Artikelen 22, 150, 162 en 843a Rv.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.278.045

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, NL17.15501)

arrest van 18 mei 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

eiser in beide incidenten,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. H. Knotter,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Overhaghe Beheer B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zevenaar,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

verweerster in beide incidenten,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna te noemen: Overhaghe,

advocaat: mr. S.V.M. Stevens.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 februari 2019 (tussenvonnis) en van 7 februari 2020 (eindvonnis) die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, tussen partijen heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 25 februari 2020,

- de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis, tevens conclusie van eis in het incident tot openlegging boeken en bescheiden ex artikel 162 Rv en tot afschrift of kopie van bescheiden ex artikel 843a Rv, met producties,

- de memorie van antwoord in de hoofdzaak, tevens memorie van antwoord in het incident tot openlegging en boeken ex artikel 162 Rv en bescheiden en afschrift bescheiden ex artikel 843a Rv tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties,

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel, met producties.

2.2

[appellant] heeft zijn aanvankelijke incidentele vordering tot schorsing van de aangezegde executie(-veiling) ingetrokken. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in de incidenten ex artikel 162 Rv en artikel 843a Rv aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 Waar deze zaak over gaat

3.1

Als bestuurder tevens directeur aandeelhouder van Benga B.V. (verder: Benga) heeft [appellant] op 11 oktober 2006 op twee hem toebehorende onroerende zaken derdenhypotheek1 (met een boekenclausule2) gevestigd voor de herfinanciering door Overhaghe van Benga met een krediet van toen € 1,3 miljoen in hoofdsom. In 2007 is die vordering achtergesteld bij een vordering van Stichting Garantie Reisgelden (SGR). In de jaren 2012-2013 heeft aan aantal aandeelhouders met vorderingen op Benga uit (achtergestelde) leningen besprekingen gevoerd over omzetting van hun vorderingen op Benga (later genaamd: Benga Travel Group B.V. en Kidz B.V.) in (certificaten van) aandelen. Met een beroep op verzuim van Benga heeft Overhaghe in 2017 aan [appellant] de executie en verkoop van genoemde verhypothekeerde onroerende zaken aangezegd.. Deze executie(-veiling) heeft geen doorgang gevonden.

3.2

Daarop heeft [appellant] vorderingen tegen Overhaghe ingesteld met de strekking dat de derdenhypotheek niet rechtsgeldig of in ieder geval niet voor zo’n hoge vordering kan worden uitgewonnen. Na een tussenvonnis met bewijsopdracht en getuigenverhoren heeft de rechtbank in haar eindvonnis alle vorderingen afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.3

Daartegen komt [appellant] nu op in zijn memorie van grieven. Daarbij heeft hij zijn eis in de hoofdzaak gewijzigd. Tegen die wijziging van eis heeft Overhaghe geen bezwaar gemaakt. De gewijzigde vorderingen hebben in grote lijnen dezelfde strekking als in eerste aanleg. Het hof acht de wijziging van eis niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. In de hoofdzaak moet nu dus worden geoordeeld over de gewijzigde eis.

3.4

In de memorie van grieven heeft [appellant] verder twee incidenten opgeworpen met zijn vordering om bij incidenteel arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Overhaghe te bevelen, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen incidenteel arrest, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn:

(op grond van de artikelen 162 en 22 Rv)

A de boeken, bescheiden en geschriften (administratie) die zij ingevolge de wet moet houden, maken of bewaren open te leggen, in het bijzonder de vennootschappelijke jaarrekeningen over de boekjaren 2010 tot en met 2016 en de administratie over de jaren 2010 tot en 2016, waaronder de in Hoofdstuk E van de memorie van grieven al gespecificeerde administratie en/of zodanige bescheiden over te leggen als het hof in goede justitie vermeent te behoren, althans de (vorenbedoelde) boeken, bescheiden en geschriften beschikbaar te houden ten behoeve van nader onderzoek in de hoofdzaak, ook indien de wettelijke bewaartermijn mocht verstrijken, op straffe van een dwangsom van € 1 miljoen indien mocht blijken dat Overhaghe het te wijzen arrest niet heeft nageleefd en te bepalen dat in zodanig geval het hof de gevolgtrekkingen zal maken die het geraden zal achten;

(op grond van de artikelen 843a en 22 Rv:)

B afgifte te verstrekken van, althans inzage te geven in, de navolgende stukken:

1. de verklaring van Overhaghe inzake afstand van zijn vordering zoals bedoeld in

punt 2 van de brief van SGR d.d. 6 april 2012,

2. de ontbrekende grootboekstukken 2012, 2013 en 2014 van Overhaghe,

3. een overzicht van alle leningen die Overhaghe na 15 december 2007 heeft verstrekt aan Benga en/of aan Benga gelieerde entiteiten,

4. de cashflowbegroting die als bijlage 1 aan de overeenkomst d.d. 29 september 2006 zou worden gehecht,

5. de documenten waaruit blijkt dat onderzoek rondom de overeenkomst van 29 september 2006 heeft aangetoond dat aanvankelijk een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven en waaruit blijkt dat substantiële aanvullende cashflow noodzakelijk was en/of zodanige bescheiden over te leggen als het hof in goede justitie vermeent te behoren,

alles op straffe van een dwangsom van € 1 miljoen en een dwangsom van € 1.000 per dag dat Overhaghe hiermee na betekening van het incidenteel arrest in gebreke blijft en te bepalen dat in zodanig geval het gerechtshof de gevolgtrekkingen zal maken die het geraden zal achten;

alles met veroordeling van Overhaghe in de proceskosten met rente en de nakosten.

Daartegen heeft Overhaghe verweer gevoerd.

4 De motivering van de beslissing in de beide incidenten en in de hoofdzaak

5 De beslissing