Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-05-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4999, 200.281.212
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25-05-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4999, 200.281.212
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 25 mei 2021
- Datum publicatie
- 27 mei 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:4999
- Zaaknummer
- 200.281.212
Inhoudsindicatie
Artt. 106a en 106c Fw; bestuursverbod. Niet nakomen informatie- en medewerkingsverplichtingen (art. 106a lid 1, sub c Fw)? Betrokkenheid eerdere faillissementen (106a lid 1, sub d Fw)? Curator heeft nagelaten uittreksel uit het Handelsregister te overleggen van overige rechtspersonen, waarvan de betrokkene bestuurder is.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.281.212
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 238179)
arrest van 25 mei 2021
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: ‘ [appellant] ’,
advocaat: mr. H. Tadema,
tegen:
mr. A.C. Blankestijn in hoedanigheid van curator in het faillissement van Twente Bemiddeling en Advies B.V.,
kantoor houdende te Hengelo,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: ‘de curator’,
advocaat: mr. A.C. Blankestijn.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 november 20201 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 15 maart 2021.
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het vonnis van 8 april 20202 van de rechtbank.
3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
De curator heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd dat op de voet van het bepaalde in art. 106a Faillissementswet (hierna: Fw) aan [appellant] een bestuursverbod voor de duur van 5 jaar zal worden opgelegd.
De rechtbank heeft bij vonnis van 8 april 2020 – samengevat – voor recht verklaard dat [appellant] “het bepaalde in art. 106a lid 1, sub c Fw heeft overtreden” en heeft aan [appellant] een bestuursverbod opgelegd als bedoeld in art. 106a, lid 1 Fw, voor de duur van vijf jaar vanaf het moment dat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. [appellant] is in de proceskosten en nakosten veroordeeld. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.