Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-09-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8488, 200.261.994

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 07-09-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8488, 200.261.994

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
7 september 2021
Datum publicatie
9 september 2021
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2021:8488
Formele relaties
Zaaknummer
200.261.994

Inhoudsindicatie

Art. 7:220 lid 5 en lid 6 BW, art. 392 Rv

Prejudiciële beslissing verzocht aan de Hoge Raad over de vraag of een tijdelijke intrek in een door de verhuurder ter beschikking gestelde, volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, moet worden aangemerkt als een verhuizing, zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 5 BW.

Vervolg op tussenarrest van 22 juni 2021.

Uitspraak

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.261.994

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 6976125)

arrest van 7 september 2021

in de zaak van

1 [appellante1] ,

wonende te [woonplaats1] ,

2. [appellante2],

wonende te [woonplaats1] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: ‘ [appellante1] c.s.’ (vrouwelijk enkelvoud)

advocaat: mr. A. Seme,

tegen

de stichting

Stichting Portaal,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ‘Stichting Portaal’,

advocaat: mr. F.J. Ringnalda.

De kern van de beslissing

Het hof stelt in dit arrest prejudiciële vragen aan de Hoge Raad om te kunnen beoordelen of de intrek die [appellante1] c.s. heeft genomen in de door Portaal aangeboden, volledig gestoffeerde en ingerichte, wisselwoning, kan worden aangemerkt als een verhuizing, zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 5 BW.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 juni 2021 hier over.

1.2

Na dit tussenarrest hebben partijen op 20 juli 2021 elk een akte genomen.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 22 juni 2021 onder 4.17 tot en met 4.21 uiteengezet dat en waarom het van de Hoge Raad een prejudiciële beslissing wenst over de vraag wanneer het verblijf in een wisselwoning als een verhuizing in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW is te beschouwen. In dat kader heeft het hof vijf, nauw met elkaar samenhangende, vragen en een restvraag in het tussenarrest geformuleerd. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en over de in het tussenarrest vermelde vragen.

2.2

[appellante1] c.s. heeft zich akkoord verklaard met het stellen van prejudiciële vragen. Zij heeft in haar akte voorgesteld om de navolgende twee vragen eveneens aan de Hoge Raad voor te leggen:

“1b Wanneer is er sprake van een volledig ingerichte en gestoffeerde woning in de zin

van vraag 1 en wat zijn de (documentatie)vereisten voor partijen om een discussie

achteraf over de inrichtingsstaat/daadwerkelijke inventarisatie te voorkomen?”

en

“2b Maakt het voor de beantwoording van vraag 3 uit wat de (kwantitatieve)

eigenschappen van deze beschikbaar gestelde opslagruimte is?”

Portaal heeft zich eveneens akkoord verklaard met het stellen van prejudiciële vragen. Zij heeft in haar akte de volgende aanvullende vraag voorgesteld:

“Wordt de noodzaak om te verhuizen zoals bedoeld in artikel 7:220 lid 5 BW weggenomen,

als door de verhuurder aan de huurder een volledig ingerichte en gestoffeerde

wisselwoning ter beschikking wordt gesteld?”

2.3

In artikel 392 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (afgekort: Rv) is beschreven dat de rechter een rechtsvraag aan de Hoge Raad kan stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de eis te beslissen. Daarnaast is vereist dat een antwoord op de vraag ook rechtstreeks van belang is voor een veelheid aan vergelijkbare vorderingsrechten of voor de beslechting van talrijke andere geschillen, waarin zich dezelfde vraag voordoet.

Het hof ziet geen aanleiding om de door [appellante1] c.s. en Portaal voorgestelde vragen over te nemen. Dat laat overigens onverlet dat de Hoge Raad, mede gelet op de zesde door het hof geformuleerde vraag, de door [appellante1] c.s. en Portaal genoemde factoren kan meewegen bij haar beslissing. De vragen die door [appellante1] c.s. en Portaal worden voorgesteld zijn namelijk niet nodig voor een beslissing in de onderhavige zaak, zoals het hof hierna zal toelichten.

2.4

Het hof heeft onder 4.16 in het tussenarrest van 22 juni 2021 al overwogen dat Portaal, blijkens de door haar overgelegde inventarislijst, een volledig gestoffeerde en ingerichte woning ter beschikking had gesteld. [appellante1] c.s. heeft dat onvoldoende weersproken, maar heeft slechts ter zitting verklaard dat ze een wieg en wat persoonlijke spullen heeft meegenomen naar de logeerwoning en dat ze vitrages heeft opgehangen om inkijk te voorkomen. Een antwoord op de eerste door [appellante1] c.s. voorgestelde vraag (vraag 1b), zal dan ook niet tot een andere beslissing in deze zaak leiden.

2.5

De tweede door [appellante1] c.s. voorgestelde vraag (vraag 2b) is evenmin van belang voor de beslissing op de door [appellante1] c.s. ingestelde vordering. In de onderhavige zaak zijn immers de persoonlijke goederen van [appellante1] c.s. in het gehuurde blijven staan. Het hof kan zich verder voorstellen dat deze vraag te feitelijk van aard is.

2.6

De door Portaal voorgestelde vraag stelt de noodzaak om de woning te verlaten aan de orde. In 4.15 van het tussenarrest van 22 juni 2021 heeft het hof echter al geoordeeld dat er bij [appellante1] c.s. sprake was van bijkomende, persoonlijke omstandigheden, die gemaakt hebben dat er bij haar een noodzaak tot verhuizing was. Bovendien is zij daadwerkelijk in de aangeboden wisselwoning ingetrokken. Een antwoord op de door Portaal voorgestelde vraag is dus ook niet nodig voor een beslissing in deze zaak.

3 De van de Hoge Raad gewenste prejudiciële beslissing.

4 De beslissing