Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-09-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9124, 200.270.271/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-09-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9124, 200.270.271/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 september 2021
- Datum publicatie
- 30 september 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:9124
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2023:1010, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 200.270.271/01
Inhoudsindicatie
Artikel 3:99 en 3:105 en 3:306 BW. Grensgeschil. Vraag of sprake is geweest van ononderbroken bezit. De eigenaar van de betwiste strook grond heeft een feitelijke, bebouwde begrenzing laten ontstaan die niet overeenkwam met de kadastrale erfgrens. Dat leidt echter nog niet tot bezit van de eigenaar van het aangrenzende erf. Dat is ook niet het geval als deze zijn tuin overeenkomstig die begrenzing, onbelemmerd door zijn buren, heeft ingericht, gebruikt en onderhouden. Dat is zelfs niet het geval als hij daarbij te goeder trouw heeft gehandeld.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.270.271/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/177139 / HA ZA 17-148)
arrest van 28 september 2021
in de zaak van
1 [appellant] , die woont in [woonplaats1] (appellant),
bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,
hierna: [appellant]
2. [appellante], die woont in [woonplaats2] (appellante),
bij de rechtbank: gedaagde in conventie,
hierna samen: [appellanten] c.s.,
advocaat: mr. M.J. Blokzijl, die kantoor houdt in Groningen,
tegen
[geïntimeerde] , die woont in [woonplaats1] (geïntimeerde),
bij de rechtbank: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, die kantoor houdt in Leeuwarden.
1 De verdere beoordeling
Naar aanleiding van het arrest van 4 augustus 2020 heeft op 1 juli 2021 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2 Waar gaat deze zaak over?
In deze procedure stellen beide partijen zich op het standpunt dat zij eigenaar zijn van een strook grond op de grens tussen hun aangrenzende percelen. Het geschil heeft de volgende achtergrond.
[appellanten] c.s. zijn sinds 2008 de eigenaren van het perceel aan de [adres1] 4 in [woonplaats1] . Het perceel aan de [adres2] 2 ligt ten (noord-)westen daarvan. [geïntimeerde] is daar in 2015 eigenaar van geworden. Langs de erfgrens bestond tot voor kort de feitelijke begrenzing uit de oostelijk gelegen achterzijde van een transformatorhuisje op het perceel van [geïntimeerde] en een aansluitende muur van een fietsenstalling op dat perceel. De kadastrale grens loopt oostelijk schuin achter die begrenzing langs, over grond die [appellanten] c.s. tot hun tuin rekenen. Deze situatie wordt hieronder aan de hand van een foto van Google Earth weergegeven. De op de foto ingetekende lijnen en aantekeningen zijn ter zitting met instemming van partijen besproken. In hoger beroep gaat het geschil (alleen nog) over de omlijnde strook ten oosten van de plaats waar voorheen een fietsenstalling stond, noordelijk van het transformatorhuis.

De rechtbank heeft [appellanten] c.s. onder druk van een dwangsom veroordeeld de kadastrale grens ten noorden van het transformatorhuisje strikt in acht te nemen en deze grond (de strook) te ontruimen en te verlaten. [appellant] is niet-ontvankelijk verklaard in de alleen door hem ingestelde vorderingen. Die hadden als strekking dat zou worden vastgesteld dat juist hij eigenaar van de strook is en dat schade aan de beplanting van [appellant] wordt vergoed die [geïntimeerde] door het verwijderen van de erfafscheiding heeft veroorzaakt.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] c.s. is dat de toegewezen vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. Bovendien is de eis van [appellant] gewijzigd. Die is nu ook door [appellante] ingesteld. Kort gezegd wordt in hoger beroep, eveneens onder druk van een dwangsom, ontruiming door [geïntimeerde] gevorderd (die heeft de fietsenstalling inmiddels afgebroken en op een deel van de strook een berging en een schutting gebouwd), en herstel in de oude toestand, met schadevergoeding. De vorderingen van [geïntimeerde] voor zover die door de rechtbank zijn afgewezen – over de strook grond vanaf de [adres1] tot aan de meest noordelijke muur van het transformatorhuisje – zijn in hoger beroep niet meer aan de orde.
[appellante] moet in die gewijzigde vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zij niet voor het eerst een vordering in hoger beroep kan instellen. Tegen de wijziging door [appellant] zijn door [geïntimeerde] geen bezwaren aangevoerd. Die wijziging is ook niet strijdig met procedurele regels. Anders dan bij de rechtbank, kan [appellant] in die vordering nu wel worden ‘ontvangen’. Uit het feit dat [appellante] deze heeft gesteund, blijkt immers dat het gaat om een vordering namens [appellant] en [appellante] ten behoeve van het perceel waarvan zij samen eigenaar zijn (artikel 3:171 BW).