Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-10-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9347, 200.291.569
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-10-2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9347, 200.291.569
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2021
- Datum publicatie
- 7 oktober 2021
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:9347
- Zaaknummer
- 200.291.569
Inhoudsindicatie
Partneralimentatie, behoeftigheid.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.291.569/01
(zaaknummer rechtbank Gelderland 372686)
beschikking van 5 oktober 2021
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen,
en
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. B. Molenaar te Wijchen.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 4 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 3 maart 2021;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- namens de man zijn advocaat,
- de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
3 De feiten
Partijen zijn [in] 2008 gehuwd.
Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [plaats] . [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de man. Zij verblijft de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw.
Bij beschikking van 7 november 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- -
-
echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- -
-
bepaald dat de vrouw aan de man € 191,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) dient te voldoen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; en
- -
-
bepaald dat de vrouw aan de man € 297,- per maand als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) dient te voldoen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het huwelijk van partijen is op 27 november 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 29 juni 2020, heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 7 november 2018 te wijzigen en:
- -
-
a. de kinderalimentatie met ingang van 1 februari 2020 vast te stellen op € 123,- per maand, telkens bij vooruitbetaling door de vrouw aan de man te voldoen, althans met ingang van een datum en een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- -
-
b. primair de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2020 op nihil te stellen, nu de man in staat moet worden geacht in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien;subsidiair de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2020 vast te stellen op € 182,- per maand, althans met ingang van een datum en zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
kosten rechtens.
De man heeft in eerste aanleg verweer gevoerd en verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- -
-
de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen;
- -
-
een eventuele wijziging van de kinder- en partneralimentatie in te laten gaan primair op de datum van de door de rechtbank te wijzen beschikking en subsidiair met ingang van 24 juni 2020, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift; en
- -
-
te bepalen dat partijen hun eigen proceskosten dienen te dragen.