Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-03-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1574, 200.296.605
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-03-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1574, 200.296.605
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 maart 2022
- Datum publicatie
- 3 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:1574
- Zaaknummer
- 200.296.605
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie. Hof houdt rekening met netto kinderopvangkosten in de behoefte. Vader kan zich niet beroepen op hogere woonlasten, omdat hij die vanwege huursubsidie niet heeft. Het hof houdt geen rekening met de aflossing op een schuld, omdat het een waarborgsom betreft die de vader binnenkort zal terugkrijgen.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.296.605
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 511482)
beschikking van 1 maart 2022
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.G. Wiebes te Lelystad,
en
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.J. Boekhout te Zeist.
1 De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het beroepschrift met producties, ingekomen op 2 juli 2021;
- -
-
het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- -
-
het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- -
-
een journaalbericht van mr. Boekhout van 29 december 2021 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 11 januari 2022 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- -
-
de man, bijgestaan door een tolk, met zijn advocaat;
- -
-
de vrouw met haar advocaat.
3 De feiten
Partijen hebben tot eind 2019 een affectieve relatie met elkaar gehad.
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
2018 in [plaats] . [de minderjarige] woont bij de vrouw. De ouders zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] belast.
Bij het verbreken van hun relatie hebben partijen mondeling afgesproken dat de man [de minderjarige] regelmatig zou zien en dat hij per maand € 100,- per maand aan de vrouw zou betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (verder ook te noemen: kinderalimentatie). Deze afspraken zijn nooit vastgelegd in een ouderschapsplan.