Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1623, 200.292.261/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1623, 200.292.261/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 februari 2022
- Datum publicatie
- 3 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:1623
- Zaaknummer
- 200.292.261/01
Inhoudsindicatie
Kort geding. Spoedeisend belang. AVG. Vordering tot rectificatie van processtuk in geschil tussen bank en appellant waarin wordt verwezen naar detentie van appellant ook in hoger beroep afgewezen. Ook de op de artikelen 15 en 17 AVG gebaseerde vorderingen worden afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.292.261/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 134259)
arrest in kort geding van 22 februari 2022
in de zaak van
1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [appellant],
2. [appellante],
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [appellante],
appellanten,
bij de rechtbank: eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,
advocaat: mr. H.J. Tulp, die kantoor houdt te Drachten,
tegen
Van Lanschot Kempen Wealth Management N.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: Van Lanschot,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff, die kantoor houdt te Haarlem.
1 De verdere procedure bij het hof
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 10 augustus 2021 hier over.
In dat tussenarrest is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Deze mondelinge behandeling is op 1 februari 2022 gehouden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling hebben [appellanten] c.s. een akte overlegging producties (met twee producties) genomen.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof een datum vastgesteld waarop arrest zal worden gewezen.
2 Waar gaat het in deze zaak over?
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Van Lanschot ten onrechte gegevens over een detentie van [appellant] verwerkt en die detentie in een civiele procedure tussen partijen ten onrechte aanhaalt.
Het hof vindt dat [appellanten] c.s. geen spoedeisend belang (meer) hebben bij de vorderingen die zij daarover hebben ingesteld en dat ze alleen om die reden al niet in deze kortgedingprocedure toewijsbaar zijn. Los daarvan is onvoldoende aannemelijk dat de vorderingen in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen.
Het hof zal dit oordeel hierna motiveren, door eerst de relevante feiten vast te stellen en door vervolgens in te gaan op de standpunten van partijen. In dat verband zal het hof ook de bezwaren (‘grieven’) van [appellanten] c.s. tegen het vonnis van 16 maart 2021 van de voorzieningenrechter te Assen van de rechtbank Noord-Nederland bespreken.