Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-04-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2777, 200.289.827
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-04-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2777, 200.289.827
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 12 april 2022
- Datum publicatie
- 13 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2022:2777
- Zaaknummer
- 200.289.827
Inhoudsindicatie
Faillissementspauliana. Wetenschap van faillissementsaanvraag ex art. 47 Fw aanwezig zolang niet onherroepelijk is beslist op een faillissementsaanvraag waarmee de ontvanger van de betaling bekend is.
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.289.827/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland locatie Amersfoort 8472186 AC EXPL 20-1120
arrest van 12 april 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Pullco B.V.,
statutair gevestigd te Baarn, kantoorhoudende te Soest,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Pullco,
advocaat: mr. M.D.B. Stap te Utrecht,
tegen:
mr. Job Marie Molkenboer in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Witteveen Retail B.V.,
kantoorhoudende te Tilburg,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: de curator,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 december 2021 hier over. In dit tussenarrest heeft het hof een mondelinge behandeling bepaald.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de bij H12-formulier en brief van 29 december 2021 door de curator toegezonden productie 27 (een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2021);
- het van de op 28 maart 2022 gehouden mondelinge behandeling (via een Skype-verbinding) opgemaakte proces-verbaal.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof arrest bepaald.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis van 11 november 2020.
Deze feiten luiden als volgt.
Witteveen Retail B.V. (hierna: Witteveen) was een keten van verschillende kledingwinkels. Pullco had, als producent van dameskleding, overeenkomsten gesloten met Witteveen. Uit die contractuele verhoudingen had Pullco geldvorderingen op Witteveen, die Witteveen niet voldeed.
Op 12 juli 2019 heeft Pullco samen met de curatoren van Vidrea Retail B.V. (hierna: de curatoren van Vidrea), Elizen Vastgoed B.V. (hierna: Elizen) en Pavast Beheer B.V. (hierna: Pavast) bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van Witteveen.
Op 11 augustus 2019 heeft Witteveen een regeling getroffen met Pullco, Elizen en Pavast, waarna Witteveen op 12 augustus 2019 een bedrag van € 18.000,00 aan Pullco heeft betaald. Ook Elizen en Pavast hebben toen een betaling van Witteveen ontvangen. Pullco, Elizen en Pavast hebben vervolgens hun faillissementsverzoek ingetrokken.
De curatoren van Vidrea, met wie geen regeling was getroffen, hebben hun faillissementsaanvraag doorgezet. Op 15 augustus 2019 heeft de rechtbank Amsterdam deze aanvraag afgewezen, omdat niet summierlijk was gebleken van een vordering van de curatoren van Vidrea op Witteveen. Pullco nam kennis van deze afwijzing.
Op 22 augustus 2019 zijn de curatoren van Vidrea tegen de afwijzing van de faillissementsaanvraag in hoger beroep gegaan. Pullco was hiermee onbekend. Voordat de beoordeling in hoger beroep zou plaatsvinden, is op verzoek van Witteveen op 25 november 2019 aan haar surseance van betaling verleend, waarbij de curator als bewindvoerder werd aangesteld. Als gevolg van de surseance van betaling is de behandeling van het hoger beroep tegen de afwijzing van de faillissementsaanvraag geschorst.
Op 28 november 2019 is op verzoek van de curator de surseance van betaling ingetrokken en heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant gelijktijdig het faillissement van Witteveen uitgesproken met aanstelling van de curator. Dit heeft geleid tot doorhaling van het door de curatoren van Vidrea ingestelde hoger beroep tegen de afwijzing van de faillissementsaanvraag.
Op 23 december 2019 heeft de curator de betaling van Witteveen aan Pullco als genoemd in rechtsoverweging 2.1.3 vernietigd op grond van artikel 47 van de Faillissementswet (hierna: Fw).
3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
De curator heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd om bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat hij rechtsgeldig op grond van artikel 47 Fw heeft vernietigd de betaling van 12 augustus 2019 ad € 18.000,00 van Witteveen aan Pullco, althans dat (het hof begrijpt:) de kantonrechter deze betaling vernietigt;
2. Pullco te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen
een bedrag van € 18.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
3. Pullco te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de curator te betalen een bedrag van € 1.002,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
4. Pullco te veroordelen tot betaling van de proceskosten, waaronder begrepen de door
de curator gemaakte beslagkosten.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 11 november 2020, zoals hersteld bij vonnis van 16 december 2020, de gevorderde verklaring voor recht toegewezen (in plaats van de betaling te vernietigen) en ook de overige vorderingen van de curator toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft toegewezen tot het wettelijke tarief (€ 955,00), met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis ten aanzien van de daarin opgenomen veroordelingen.