Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-06-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5445, 200.308.160

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28-06-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:5445, 200.308.160

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28 juni 2022
Datum publicatie
1 juli 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:5445
Zaaknummer
200.308.160

Inhoudsindicatie

Schorsingsincident ex 351 Rv, gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding waarin appellant is veroordeeld tot medewerking aan verkoop voormalig echtelijke woning. Geen juridische misslag. Vaststellen wijze van verdeling (stappenplan) in kort geding is condemnatoire beslissing en niet een constitutieve beslissing en dus toegestaan in een kort geding. 3:185 BW. Geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld. Schorsingsverzoek afgewezen.

Uitspraak

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.308.160

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 532891)

arrest in kort geding van 28 juni 2022

in het incident in de zaak van

[appellant] ,

die woont in [woonplaats1] ,

die hoger beroep heeft ingesteld en eiser is in het incident,

en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna “ [appellant] ” te noemen,

vertegenwoordigd door mr. P. Crans,

tegen

[geïntimeerde] ,

die woont in [woonplaats1] ,

en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna “ [geïntimeerde] ” te noemen,

vertegenwoordigd door mr. A.R.J. Mulder.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 17 februari 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep met daarin ook de grieven en een eis in het incident;

-

de memorie van antwoord met daarin ook het antwoord in het incident.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De kern van de zaak

2.1

Partijen zijn echtgenoten geweest. Zij waren op huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats1] (hierna: de woning). Bij beschikking van 15 mei 2020 heeft de rechtbank tussen hen de echtscheiding uitgesproken. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank, aan de hand van een soort van stappenplan, de wijze van verdeling van de woning gelast. Het komt erop neer dat de woning eerst getaxeerd moest worden en dat [geïntimeerde] daarna de woning kon overnemen als aan bepaalde voorwaarden was voldaan. In dat geval moet [geïntimeerde] aan [appellant] een overbedelingsvergoeding betalen. Geen van partijen heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Partijen hebben sinds deze beschikking is gewezen al verschillende procedures gevoerd over de uitvoering van het door de rechtbank bepaalde stappenplan.

2.2

[geïntimeerde] heeft in deze procedure bij de voorzieningenrechter gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om, kort gezegd, mee te werken aan de verdeling van de woning aan haar. De waarde van de woning is bepaald tegen de peildatum van 15 mei 2020 (de datum waarop de rechtbank de beschikking heeft gewezen). [appellant] weigert mee te werken aan de verdeling, omdat hij meent dat [geïntimeerde] de woning moet overnemen tegen de huidige waarde in het economisch verkeer (en niet tegen de waarde op 15 mei 2020). Verder stelt hij dat ook de overbedelingsvergoeding die [geïntimeerde] aan hem moet betalen op de huidige marktwaarde moet worden gebaseerd.

2.3

De voorzieningenrechter ziet dat anders en heeft [appellant] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding veroordeeld om mee te werken aan de verdeling van de woning aan [geïntimeerde] tegen de waarde van de woning op (de door de rechtbank eerder bij beschikking vastgestelde peildatum van) 15 mei 2020.

2.4

[appellant] is het niet eens met dat oordeel en heeft daarom hoger beroep ingesteld. In zijn hoger beroepsdagvaarding heeft [appellant] aan de hand van negen bezwaren uitgelegd waarom hij het niet eens is met de inhoud van het vonnis in kort geding. Ook heeft hij een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis ingesteld. Het hof zal die incidentele vordering afwijzen en zal hierna uitleggen waarom.

3 Het oordeel van het hof

Het vonnis in kort geding is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard

3.1

Wanneer een veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is deze uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand, zolang in hoger beroep nog niet is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij de directe uitvoerbaarheid van de veroordeling. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de voorzieningenrechter. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eisende partij, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat deze zich pas na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.1

3.2

In tegenstelling tot dat wat [appellant] stelt, heeft de voorzieningenrechter gemotiveerd waarom hij het vonnis in kort geding uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 5.10 nadrukkelijk overwogen dat hij de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, omdat “deze zaak al lange tijd voortduurt en er spoedig een einde aan moet komen” en dat het daarom volgens hem van belang is “dat het instellen van een rechtsmiddel de uitvoering van dit vonnis niet doorkruist”. Doordat de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, is het dus aan [appellant] om te stellen dat sprake is van een juridische misslag of om aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die de voorzieningenrechter bij het nemen van zijn beslissing nog niet in aanmerking kon nemen, doordat deze zich pas na de uitspraakdatum hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Het enkel afwegen van de wederzijdse belangen van partijen, zoals [appellant] stelt, is dus onvoldoende om te beoordelen of het schorsingsverzoek kan worden toegewezen.

Is sprake van een juridische misslag?

3.3

De voorzieningenrechter heeft in zijn beschikking geoordeeld dat de verdeling van de woning dient plaats te vinden op basis van de waarde van de woning op 15 mei 2020. [appellant] stelt dat de voorzieningenrechter daarmee ‘de wijze van de verdeling met een bepaalde waarde’ heeft vastgesteld en dat hij daartoe niet bevoegd was. Volgens hem is zo’n beslissing een constitutieve beslissing en staat de aard van de procedure in kort geding eraan in de weg dat de voorzieningenrechter zo’n beslissing neemt. Het is niet toegestaan dat een voorzieningenrechter als ordemaatregel een definitief einde maakt aan de verdeling. Door dat wel te doen, is volgens [appellant] sprake van een juridische misslag, zodat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 17 februari 2022 geschorst dient te worden.

3.4

Het hof ziet dit anders. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in dit geval geen definitief einde gemaakt aan de verdeling van de woning. De voorzieningenrechter heeft alleen herhaald wat de rechtbank eerder al had vastgesteld. De rechtbank heeft in de beschikking van 15 mei 2020 de wijze van verdeling gelast. Zij heeft in haar beschikking als het ware de spelregels gegeven voor de verdeling van de woning en partijen moesten zelf uitvoering geven aan die spelregels. Om die reden is de beschikking van 15 mei 2020 een condemnatoire beslissing. Indien de rechtbank de verdeling volledig zelf zou hebben vastgesteld (zoals artikel 3:185 BW beschrijft), zou sprake zijn geweest van een constitutieve beslissing. In het dictum van de beschikking van 15 mei 2020 staat onder meer:

De rechtbank :

(...)

4.7

gelast ten aanzien van de echtelijke woning van partijen de volgende wijze van verdelen:

Partijen moeten een nieuwe taxatie laten maken om de waarde in het economisch verkeer op dit moment, het moment van verdeling, te laten vaststellen (...)”

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 17 februari 2022 als het ware herhaald wat de rechtbank al had overwogen. Hij heeft vastgesteld dat de waarde van de woning dient te worden bepaald tegen de peildatum van 15 mei 2020, omdat de rechtbank dat eerder zo heeft bepaald. In tegenstelling tot wat [appellant] heeft aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter daarmee niet zelf de verdeling vastgesteld. Partijen moeten nog steeds uitvoering geven aan het door de rechtbank vastgestelde stappenplan en [appellant] is door de voorzieningenrechter veroordeeld om handelingen te verrichten die volgen uit dat stappenplan en die tot een verdeling strekken. Er is dus geen sprake van een constitutieve beslissing en dus is ook geen sprake van een juridische misslag.2

Zijn er nieuwe feiten of omstandigheden?

3.5

Er is door [appellant] niet gesteld, en ook is niet gebleken, dat zich na de datum van de uitspraak van de voorzieningenrechter op 17 februari 2022 nog feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de voorzieningenrechter niet in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken en die ertoe zouden hebben kunnen leiden dat het vonnis is kort geding niet uitvoerbaar bij voorraad zou zijn verklaard.

3.6

Het hof zal vanwege het voorgaande de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis in kort geding van 17 februari 2022 afwijzen. Voor zover [appellant] nog heeft aangevoerd dat de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding heeft nagelaten om als onderdeel van de verdeling een door [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen overbedelingsvergoeding te bepalen, gaat het hof daarin niet mee. De rechtbank heeft in de beschikking van 15 mei 2020 al bepaald (in rov. 4.7) dat [geïntimeerde] een overbedelingsvergoeding aan [appellant] dient te betalen indien zij zijn aandeel in de woning overneemt. Doordat partijen geen hoger beroep hebben ingesteld tegen deze beschikking van de rechtbank en deze beslissing dus niet is aangetast, bestond voor de voorzieningenrechter geen noodzaak om in het vonnis in kort geding deze beslissing te herhalen.

Verbod voor [geïntimeerde] van handelingen tot verdeling en levering?

3.7

[appellant] heeft in dit incident ook gevorderd dat het hof [geïntimeerde] zal verbieden om tijdens de procedure in hoger beroep (rechts)handelingen te verrichten die zijn gericht op de verdeling en levering van de woning. Hij heeft het hof gevraagd om aan dit verbod een dwangsom te koppelen. Het hof zal deze vorderingen afwijzen, omdat [appellant] niet uitlegt waarop dit verbod is gegrond en hij deze vorderingen niet verder heeft onderbouwd, terwijl [geïntimeerde] gemotiveerd bezwaar maakt tegen toewijzing van deze vorderingen.

3.8

Het hof zal [appellant] , als de in het ongelijk te stellen partij, veroordelen in de proceskosten van dit incident, maar zal de beslissing over de hoogte daarvan aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

3.9

Het hof zal – conform het verzoek van partijen – in de hoofdzaak een mondelinge behandeling bepalen. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing