Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-10-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8502, 200.300.733/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-10-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8502, 200.300.733/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
4 oktober 2022
Datum publicatie
6 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:8502
Formele relaties
Zaaknummer
200.300.733/01

Inhoudsindicatie

In deze zaak staan twee juridische vragen centraal:

(1) Is een tijdens het faillissement van de erfpachter opeisbaar geworden canon een boedelschuld?

(2) Heeft de grondeigenaar tijdens dat faillissement, maar voorafgaand aan het einde van de erfpacht, een retentierecht op wat de erfpachter heeft afgebroken, totdat de door haar verschuldigde canon is betaald?

Het hof beantwoordt beide vragen ontkennend.

Uitspraak

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.300.733/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 185350)

arrest van 4 oktober 2022

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Groningen Seaports N.V.,

die in deze procedure handelt als onherroepelijk gevolmachtigde van

het Havenschap Groningen Seaports,

gevestigd te Delfzijl,

appellante,

bij de rechtbank: eiseres,

hierna: GSP,

advocaat: mr. R.D. Vriesendorp, die kantoor houdt te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

in zijn hoedanigheid van opvolgend curator in de faillissementen van:

a. de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V.,

gevestigd te Farmsum (North Refinery),

b. de besloten vennootschap GOC Real Estate B.V.,

gevestigd te Farmsum (GOC),

kantoorhoudende te Groningen,

2. [geïntimeerde2],

kantoorhoudende te Groningen,

geïntimeerden,

bij de rechtbank: gedaagden,

hierna: de curator c.s.,

advocaat: mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

Naar aanleiding van het arrest van 5 april 2022 heeft op 6 september 2022 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.

2 De kern van de zaak

2.1

In deze zaak staan twee juridische vragen centraal:

(1) Is de door GOC aan GSP verschuldigde en tijdens het faillissement van GOC opeisbaar geworden canon een boedelschuld?

(2) Heeft GSP als grondeigenaar tijdens het faillissement van GOC, maar voorafgaand aan het einde van de erfpacht, een retentierecht op wat GOC heeft afgebroken, totdat de door GOC verschuldigde canon is betaald?

2.2

Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.

2.3

GOC en North Refinery maakten deel uit van een groep vennootschappen. De onderneming van North Refinery hield zich bezig met de verwerking van oliehoudend afval. Het terrein waarop deze onderneming was gevestigd, was door GSP aan GOC in erfpacht uitgegeven. De mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de erfpacht door GOC is in de diverse erfpachtakten uitgesloten. Voor de op het terrein aanwezige gebouwen en werken is een recht van opstal ten gunste van GOC gevestigd. Op een deel van de erfpachtrechten van GOC was een hypotheekrecht ten behoeve van Rabobank gevestigd. Inmiddels zijn de erfpachtrechten niet meer met hypotheek bezwaard.

2.4

De door GOC aan GSP verschuldigde erfpachtcanon bedroeg naar het geïndexeerde prijsniveau van 2015 € 332.331,32 per jaar. In de erfpachtakten is bepaald dat over achterstallige canon vanaf de vervaldatum een rente van 12% per jaar is verschuldigd.

2.5

North Refinery en GOC zijn op 24 februari 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [geïntimeerde2] als curator in beide faillissementen. [geïntimeerde1] is hem op

18 februari 2021 opgevolgd. De oorzaak van de faillissementen

(volgens de directie van North Refinery) is onder meer gelegen in dalende olieprijzen met een grote (negatieve) invloed op de verkoopprijzen van de producten van de vennootschap, beperkingen in de afzetmogelijkheden en een tweetal strafrechtelijke procedures in verband met de overtreding van milieuvoorschriften en daaruit voortvloeiend intensief toezicht en handhaving met daaraan verbonden investeringen die zijn gedaan – dit alles terwijl de aandeelhouders niet bereid waren om verdere financiële steun te verlenen.

2.6

Tot aan de faillissementsdatum had GOC een betalingsachterstand bij GSP van € 178.394,00 in hoofdsom. Na het uitspreken van de faillissementen is de erfpachtrelatie tussen GOC en GSP in stand gebleven. Berekend tot en met 31 december 2017 beliep de totale vordering van GSP op GOC uit hoofde van achterstallige canon € 1.171.201,14. Tot en met 31 december 2021 was de achterstand (vanaf aanvang faillissement) opgelopen tot € 2.292.696,80 exclusief rente.

2.7

De grond waarop de onderneming van North Refinery werd gedreven, is ernstig vervuild. De provincie heeft op 26 april 2016 een last onder dwangsom opgelegd aan de curator als ‘drijver’ van de inrichting van North Refinery wegens handelen in strijd met de aan die vennootschap verstrekte vergunningen. Op basis van deze last moest de curator vijf tanks legen en schoonmaken. Hij heeft de provincie echter laten weten dat hij niet aan deze last kon voldoen, omdat de boedel niet over de daarvoor benodigde financiële middelen beschikte.

2.8

De curator en Rabobank hebben de afspraak gemaakt dat verkoop van de erfpachtrechten op alle percelen slechts als één geheel mogelijk zou zijn en dat dan zowel de boedel als Rabobank voor de helft gerechtigd zou zijn tot de verkoopopbrengst. Rabobank heeft een belangrijk deel van de instandhoudingskosten gefinancierd.

2.9

In oktober 2015 was de curator bezig om een zogeheten TCC unit

(ook wel boormud installatie genoemd) op het terrein van North Refinery te verkopen. Daartoe is deze installatie die maand gedemonteerd. Vóór de demontage was de TCC unit aan de grond bevestigd in de zogeheten 'mudhal'. Nadat GSP hiervan op de hoogte raakte, heeft zij op haar eigen terrein, rechts naast de toegangspoort tot het terrein van North Refinery, een bord geplaatst met de aankondiging dat zij op dat terrein haar retentierecht ex artikel 5:100 lid 3 Burgerlijk Wetboek uitoefende. Tussen de curator en GSP is naar aanleiding hiervan een discussie ontstaan over de vraag aan wie de verkoopopbrengst van de TCC unit toekomt (of GSP bevoegd was een retentierecht uit te oefenen). Om de daarover ontstane patstelling te doorbreken, zijn de advocaat van GSP en de curator overeengekomen dat de verkoopprijs van € 200.000 gesepareerd zou worden op een kwaliteitsrekening. Aan deze overeenkomst is uitvoering gegeven, maar nadien is dit bedrag in strijd met de gemaakte afspraken in de boedel gevloeid en aangewend ter dekking van de instandhoudingskosten. Dat heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank in een incident in deze procedure, waarin de toenmalige curator, [geïntimeerde2] , q.q. en pro se (hoofdelijk) is veroordeeld om € 200.000 ter separatie buiten de boedel te voldoen op een kwaliteitsrekening, totdat tussen partijen een onherroepelijk vonnis zou zijn verkregen of een schikking zou zijn bereikt over de gerechtigdheid tot deze € 200.000.

2.10

In het gecombineerde, maar niet geconsolideerde faillissementsverslag van

20 maart 2019 merkt de curator op dat het in het kader van een beoogde doorstart van de onderneming van North Refinery van belang is de waarde van de onderneming en de daarmee verbonden activa zo veel mogelijk in stand te houden. Met name in verband hiermee, alsmede om opbrengsten te genereren ter dekking van de instandhoudingskosten, heeft de curator het in het belang van de boedel geacht de onderneming van de vennootschap vooralsnog ‘op beperkte schaal voort te zetten’. Uitsluitend de zogenaamde ‘boorgruis’-productielijn is in bedrijf gehouden. Door de curator is in overleg met de bank, de boekhouder en directie van de onderneming een exploitatiebegroting opgesteld, waarbij is gebleken dat de kosten van ‘voortzetting’ vooralsnog gedekt konden worden uit de reguliere lopende inkomsten uit de verwerking van boorgruis. De verwerking van boorgruis is ‘voortgezet’ tot medio mei 2015. Sindsdien ligt de productie volledig stil en resteert nog de instandhouding c.q. het behoud van de activa. Met dit laatste zijn volgens de curator nog de nodige kosten gemoeid, omdat ter voorkoming van milieu- en veiligheidsrisico's een aantal voorzieningen in stand dienden te blijven.

2.11

Partijen konden de discussie over het karakter van de opeisbare canon en over de houdbaarheid van het uitgeoefende retentierecht niet onderling tot een bevredigend einde brengen. Dat heeft ertoe geleid dat GSP de curator c.s. heeft gedagvaard. Kort gezegd heeft GSP daarbij onder meer gevorderd dat de rechtbank:

-

voor recht verklaart dat de erfpachtcanon in het faillissement van GOC een boedelschuld is;

-

de curator c.s. q.q. en pro se hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.171.201,14 aan canon, te vermeerderen met de na 31 december 2017 openvallende canon, en vermeerderd met rente;

-

voor recht verklaart dat GSP een retentierecht heeft op wat de curator afbreekt, heeft afgebroken of heeft laten afbreken in de faillissementen van North Refinery en GOC;

-

de curator c.s. q.q. en pro se hoofdelijk veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

-

de curator c.s. q.q. en pro se hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 200.000;

-

bepaalt dat de curator c.s. q.q. en pro se onder verbeurte van een dwangsom de met GSP overeengekomen voorziening ter separatie van € 200.000 buiten de boedel nakomen en uitvoeren en in stand laten totdat tussen de curator en GSP een onherroepelijk vonnis is verkregen en aan dat vonnis uitvoering is gegeven of tussen de curator en GSP een schikking is bereikt over de gerechtigdheid tot deze € 200.000;

-

de curator c.s. q.q. en pro se hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 6.775 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, alsmede tot vergoeding van proceskosten.

2.12

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat alsnog toewijzing volgt. Daarbij is de formulering van de vorderingen wel gewijzigd. In hoger beroep vordert GSP kortgezegd dat het hof:

-

voor recht verklaart dat de vanaf de faillietverklaring aan GSP verschuldigde erfpachtcanon en daarover verschuldigde rente - dan wel een dienovereenkomstige schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking - in het faillissement van GOC een boedelschuld is;

-

de curator veroordeelt tot betaling van € 2.292.696,80 aan canon die sinds de faillietverklaring verschuldigd is geworden, te vermeerderen met nadien openvallende canon, en te vermeerderen met rente;

-

voor recht verklaart dat aan GSP een retentierecht toekwam op de TCC Unit;

-

de curator (q.q.) en diens voorganger [geïntimeerde2] (pro se) hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 200.000, te vermeerderen met rente;

-

de curator veroordeelt tot betaling van € 6.775 exclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente;

-

de curator (q.q.) en [geïntimeerde2] (pro se) hoofdelijk veroordeelt tot terugbetaling van de door GSP betaalde proceskosten van de eerste instantie, te vermeerderen met rente;

-

de curator (q.q.) en [geïntimeerde2] (pro se) veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.

2.13

Tegen deze wijzigingen hebben de curator c.s. niet geprotesteerd. Omdat de vorderingen ook niet in strijd komen met processuele regels, zal het hof van de gewijzigde vorderingen uitgaan.

3 Het oordeel van het hof

4 De beslissing