Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-03-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2212, 200.297.026
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-03-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2212, 200.297.026
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 14 maart 2023
- Datum publicatie
- 30 mei 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:2212
- Zaaknummer
- 200.297.026
Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over de vraag of de Bank een beroep kan doen op een door appellant afgegeven borgstelling voor het krediet dat de Bank verleende aan een vennootschap waarvan appellant - via een holdingmaatschappij - aandeelhouder en bestuurder was. Beroep op dwaling. Particuliere of professionele borgstelling (art. 7:857 BW)? Voldoet borgstelling aan eis dat, als het bedrag van de hoofdverbintenis op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet vast staat, de borgtocht slechts geldig is voor zover een in geld uitgedrukt maximumbedrag is overeengekomen (artikel 7:878 BW)?
Uitspraak
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.297.026
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 372616)
arrest van 14 maart 2023
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. H.F.C. Hoogendoorn,
tegen:
de naamloze vennootschap
ABN Amro Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: de Bank,
advocaat: mr. R. Dijkema.
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 24 mei 2022 heeft op 5 oktober 2022 een mondelinge behandeling bij het hof (hierna: de zitting) plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna is de zaak op verzoek van partijen aangehouden voor verder overleg over een schikking. De Bank heeft het hof op 27 december 2022 verzocht om (alsnog) een beslissing te geven.
2 De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het (bestreden) vonnis van 3 maart 2021.1
3 Korte schets van de zaak
Deze zaak gaat over de vraag of de Bank een beroep kan doen op een door [appellant] afgegeven borgstelling voor het krediet dat de Bank verleende aan een vennootschap waarvan [appellant] - via een holdingmaatschappij - aandeelhouder en bestuurder was. Deze vennootschap wordt hierna PMP genoemd.
PMP werd gefinancierd door de Bank. In oktober 2015 heeft de Bank PMP bericht dat sprake was van een verhoogd (krediet)risico en dat PMP onder Bijzonder Beheer van de Bank is komen te staan. Bij brief van 26 januari 2016 heeft de Bank PMP een nieuwe kredietovereenkomst (hierna: de kredietovereenkomst) gestuurd en daarbij onder meer vermeld dat de Bank als gevolg van het verhoogde risicoprofiel van de financiering (van PMP) aanvullende zekerheid van [appellant] verlangde in de vorm van een hoofdelijke verbondenheid van [appellant] (en zijn echtgenote) voor al hetgeen de Bank in het kader van de kredietovereenkomst van PMP te vorderen heeft. [appellant] heeft daar uiteindelijk op 9 februari 2016 (schriftelijk) mee ingestemd. Partijen zijn het er over eens en het hof neemt daarom als uitgangspunt dat sprake is van een borgstelling.
Begin 2018 is PMP in staat van faillissement verklaard. Daarna heeft de Bank bij
brief van 27 februari 2018 de kredietfaciliteit opgezegd en het openstaande saldo opgeëist. Omdat PMP in gebreke is gebleven heeft de Bank [appellant] aansprakelijk gesteld voor deze schuld. De advocaat van [appellant] heeft vervolgens de vernietiging van de borgstelling ingeroepen wegens dwaling.
De Bank vordert in deze procedure op grond van genoemde borgstelling betaling van ruim € 140.000 vermeerderd met 6,3% rente per jaar. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen.