Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:270, 200.303.028/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-01-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:270, 200.303.028/01
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 januari 2023
- Datum publicatie
- 16 januari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:270
- Zaaknummer
- 200.303.028/01
Inhoudsindicatie
Retentierecht. Erfverpachter beroept zich ten onrechte op retentierecht op aan leasemaatschappij toebehorende landbouwwerktuigen voor onbetaalde erfpachtcanon.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.303.028/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8611941)
arrest van 10 januari 2023
in de zaak van
1 [appellant1] ,
wonende in [woonplaats1] ,
2. [appellant2],
wonende in [woonplaats2] ,
die hoger beroep hebben ingesteld,
bij de kantonrechter: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,
hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],
advocaat: mr. D.J. Kap, die kantoor houdt in Haren (Groningen),
tegen
De Lage Landen Vendorlease B.V.,
die is gevestigd in Eindhoven,
verweerster in hoger beroep,
bij de kantonrechter: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,
hierna: DLL,
advocaat: mr. A.R. Logtenberg, die kantoor houdt in Utrecht.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 6 juli 2021 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding in hoger beroep van 1 oktober 2021;
- -
-
de memorie van grieven van 8 februari 2022 waarbij ook de eis is gewijzigd;
- -
-
de memorie van antwoord van 19 april 2022;
- -
-
het arrest van 31 mei 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- -
-
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 2 december 2022 is gehouden;
Vervolgens heeft het hof een datum voor het wijzen van arrest bepaald.
2 De kern van de zaak
Deze zaak gaat om het opvorderen door DLL van een aantal geleasete landbouwvoer- c.q. werktuigen die zich bevonden op het inmiddels aan [appellanten] toebehorend boerenbedrijf. [appellanten] beroepen zich op een retentierecht ter afwering van de vordering.
Bij de kantonrechter was het geschil meeromvattend. DLL had vorderingen ingesteld om de door haar als lessor aan een landbouwbedrijf beschikbaar gestelde bedrijfsmiddelen terug te vorderen dan wel de opbrengst daarvan na verkoop op te vorderen. Die vorderingen waren deels ook ingesteld tegen leden van de familie [naam1] , die de bedrijfsmiddelen van DLL hadden geleaset. [appellanten] hebben deze vordering bestreden, gesteld dat zij een pand- dan wel een retentierecht op deze goederen hadden en in reconventie verklaringen voor recht in die zin gevorderd, alsmede een vergoeding voor de kosten van een door hen aangestelde gerechtelijke bewaarder.
De kantonrechter heeft de vorderingen van DLL voor het grootste deel toegewezen en de vorderingen van [appellanten] afgewezen, waarbij [appellanten] in een deel van de proceskosten van DLL zijn veroordeeld. De vorderingen van [appellanten] zijn afgewezen en zij zijn in de proceskosten in reconventie veroordeeld.
De bedoeling van het hoger beroep is dat wordt vastgesteld dat [appellanten] een retentierecht hadden op de drie bedrijfsmiddelen in kwestie en dat DLL de inmiddels gerealiseerde verkoopopbrengst daarvan aan [appellanten] betaalt.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal dat oordeel hierna toelichten, nadat eerst de voor dat oordeel relevante feiten zijn vastgesteld.