Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-04-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310, 21/01676
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-04-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3310, 21/01676
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 18 april 2023
- Datum publicatie
- 28 april 2023
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2023:3310
- Formele relaties
- Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:869
- Zaaknummer
- 21/01676
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling woning. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01676
uitspraakdatum: 18 april 2023
Uitspraak van de twintigste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 21 oktober 2021, nummer UTR 21/4258 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres1] 158 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 569.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2020 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 552.000 en de opgelegde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 8 maart 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar [naam2] , bijgestaan door [de taxateur] (hierna: de taxateur).
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een in 1935 gebouwde rijwoning met een berging en dakkapel. De inhoud van de woning bedraagt 511 m3 en de kaveloppervlakte is 207 m2.
Belanghebbende heeft de woning op 3 december 2018 gekocht voor € 552.000. De juridische levering van de woning heeft plaatsgevonden op 1 maart 2019.
In de uitspraak op bezwaar van 23 oktober 2020 heeft de heffingsambtenaar geschreven:
“Naar aanleiding van het bezwaarschrift en de hoorzitting heeft de taxateur de waarde van de woning nogmaals beoordeeld. Daarbij is gebleken dat de woning op 3 december 2018 (datum voorlopig koopcontract) is aangekocht voor een bedrag van € 552.000,-. Op grond van dit aankoopcijfer is de waarde van de woning te hoog vastgesteld en dient deze aangepast te worden. Bij de waardering van woningen wordt uitgegaan van de bruto inhoud, kadastrale oppervlakte en de aanwezigheid van deelobjecten (schuur/berging, dakkapel enz.) Verder wordt er gekeken naar de kwaliteit, onderhoud en voorzieningenniveau van de woning. Onderlinge verschillen kunnen tot een andere waarde leiden.
Horen
In uw brief verzoekt u om gehoord te worden voordat ik uitspraak op uw bezwaarschrift doe. U bent daarom op 21 oktober 2020 gehoord. Tijdens de hoorzitting heeft u het volgende aangegeven:
- Daarin heeft u aangegeven dat buurwoningen een lager waarde hebben en dat u een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Zoals hierboven is aangegeven wordt bij de waardering uitgegaan van alle objecten kenmerken. Het beroep op gelijkheidsbeginsel faalt aangezien niet alle vergelijkbare woningen lager zijn gewaardeerd. Uw buurwoning nummer 160 is hoger gewaard dan uw woning.
Gelet op hierop is de door u voorgestelde waarde van € 515.000,- niet marktconform, maar wordt de WOZ-waarde wel verlaagd van € 569.000,- naar € 552.000,-.
Kostenvergoeding
In uw bezwaarschrift heeft u verzocht om vergoeding van tijdens de bezwaarfase gemaakte kosten. De wet voorziet uitsluitend in een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand die beroepsmatig door een derde is verleend. U heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. U heeft immers het bezwaarschrift ingediend namens een persoon met een familiaire band en u dus niet beroepsmatig laten bijstaan door een derde. Ook overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet aan de orde. Daarom wijs ik uw verzoek om kostenvergoeding af.”
3 Geschil
Niet in geschil is dat de waarde van de woning van € 552.000, zoals de heffingsambtenaar die op de voet van artikel 17 van de Wet WOZ heeft bepaald, als zodanig niet te hoog is. Wel is in geschil of de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voorts is in geschil of het gelijkheidsbeginsel, meer in het bijzonder de meerderheidsregel, en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Tot slot is in geschil of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding.