Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-05-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4133, 200.304.843/01

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16-05-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4133, 200.304.843/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16 mei 2023
Datum publicatie
22 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:4133
Zaaknummer
200.304.843/01

Inhoudsindicatie

Paulianeus handelen, als bedoeld in artikel 3:45 BW, door verkoop en overdracht van percelen aan een advocatenkantoor, waarbij de koopsom is verrekend met de vordering van dit advocatenkantoor.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.304.843/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 197590)

arrest van 16 mei 2023

in de zaak van

1 [appellante1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats1] ,hierna te noemen: [appellante1],

2. [appellante2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats1] ,hierna te noemen: [appellante2],

appellanten,

bij de rechtbank: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] ,

advocaat: mr. M. Schuring, die kantoor houdt te Groningen,

tegen

1 Berend Holding B.V.,

gevestigd te Veendam,hierna te noemen: Berend,

2. Berta Holding B.V.,

gevestigd te Muntendam,hierna te noemen: Berta,

geïntimeerden,

bij de rechtbank: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

advocaat: mr. I.A. van Rooij, die kantoor houdt te Tilburg.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 12 juli 2022 is een mondelinge behandeling gehouden op

11 april 2023. Daarvan is een verslag (proces-verbaal) opgemaakt dat aan het dossier is toegevoegd. [appellanten] hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling nog een akte genomen, waarbij drie producties in het geding zijn gebracht. Partijen hebben aan het eind van de mondelinge behandeling het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. De kern van de zaak en de beslissing van de rechtbank

2.1

Het gaat in deze procedure om de vraag of sprake is van vernietigbaar, paulianeus handelen door de verkoop en overdracht van een aantal percelen door Hadeve aan [appellante1] en de doorverkoop aan [appellante2] . Dit geschil heeft de volgende feitelijke achtergrond.2.2 Berend, Berta en Hadeve Muntendam Beheer B.V. (hierna Hadeve) zijn ondernemingen, waarvan de bestuurders/aandeelhouders broers van elkaar zijn.Van Berend is de bestuurder/aandeelhouder [naam1] (hierna: [naam1] ).

Van Berta is de bestuurder/aandeelhouder [naam2] (hierna: [naam2] ).

Van Hadeve is de bestuurder/aandeelhouder [naam3] (hierna: [naam3] ).

2.3

[naam1] , [naam2] en [naam3] hebben met elkaar samengewerkt en zijn gezamenlijk aandeelhouder geweest van diverse besloten vennootschappen. Zij hebben besloten die samenwerking met ingang van 1 januari 2015 te beëindigen en hebben hun afspraken daarover vastgelegd in een beëindigingsovereenkomst van 27 februari 2015 en in een notariële overeenkomst van geldlening van 29 december 2015.

2.4

In de beëindigingsovereenkomst zijn de voorwaarden van koop van de aandelen in diverse B.V.'s door Hadeve van Berend en Berta geregeld en ook de koop van de aandelen in uitzendbureau Teambouw Groningen B.V. (hierna: Teambouw) door Berend van Berta en Hadeve. Bij deze overeenkomst is een bijlage opgenomen met de berekening van de koopsom en de aflossing van de leningen.

2.5

Naar aanleiding van de nadere waardering van de aandelen in Teambouw hebben Hadeve, Berend en Berta op 1 juni 2015 een nieuwe berekening ondertekend.

2.6

Op 24 november 2015 hebben Hadeve, Berend en Berta een aanvulling op de beëindigingsovereenkomst ondertekend waarbij naar aanleiding van een naheffingsaanslag van de fiscus is overeengekomen dat Berend en Berta aan deze aanslag bijdragen door verlaging van de koopsom, die Hadeve aan hen dient te voldoen.

2.7

In de overeenkomst van geldlening van 29 december 2015 is opgenomen dat Berta € 1.002.498,- aan Hadeve heeft geleend en Berend € 561.573,-. In artikel 2 is bepaald dat de geldlening in drie termijnen zal worden afgelost, voor het eerst op 30 juni 2016 en vervolgens op 31 december 2016 en 31 december 2017, in gelijke delen aan beide schuldeisers. Voorts is bepaald dat Hadeve niet verplicht is tot voldoening van de termijnen in 2016 en 2017 indien zij deze termijnen daadwerkelijk niet kan voldoen, hetgeen wordt beoordeeld door een deskundige werkzaam bij Hutten Accountants en Adviseurs te Veendam, dan wel een andere door Hadeve, gezamenlijk met Berta en Berend aan te wijzen deskundige, dan wel door een (door twee deskundigen aan te wijzen) derde deskundige. Ten slotte is in artikel 2 bepaald dat Hadeve wel verplicht is tot betaling van 4% rente vanaf de overeengekomen aflossingsdata, indien als gevolg van de beoordeling door deskundigen later wordt betaald.In artikel 4 is onder meer bepaald dat de hoofdsom of het restant daarvan met rente en kosten door Berta en Berend zonder waarschuwing of ingebrekestelling kan worden opgeëist:‘i. bij niet nakoming door de schuldenaar dan wel de uiteindelijke aandeelhouder en/of

bestuurder van schuldenaar tegenover de schuldeiser van enige andere verplichting uit deze

overeenkomst van geldlening dan wel uit de koopovereenkomst, indien niet binnen acht

dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen, ten gevolge

waarvan de schuldenaar mitsdien in verzuim is.’

2.8

Op 22 mei 2018 heeft Hadeve acht percelen aan [appellante1] geleverd voor de koopprijs van € 250.000,00 exclusief btw. Het bedrag is voldaan door middel van verrekening met de vordering van [appellante1] op Hadeve in verband met verrichte werkzaamheden. [naam4] is enig bestuurder van [appellante2] en via deze vennootschap enig bestuurder van [appellante1] en is/was advocaat van Hadeve/ [naam3] .

2.9

Op 22 juni 2018 zijn dezelfde acht percelen voor € 250.000,00 door

[appellante1] aan [appellante2] geleverd. Eén van de acht percelen is verkocht

en geleverd aan de zoon van [naam3] .

2.10

De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de Raad) heeft

op 13 januari 2020 de volgende twee dekenbezwaren gegrond verklaard:

1) Het in strijd handelen met artikel 28 lid 1 van de Advocatenwet door in de overeenkomsten van opdracht van 9 maart 2016 en 4 juli 2017 zekerheden te bedingen en feitelijk percelen te laten leveren ter verrekening van een deel van zijn declaraties, zonder daarover op enig moment overleg met de deken te plegen.

2) Het in strijd handelen met de kernwaarde financiële integriteit door zichzelf in de overeenkomsten van opdracht te bevoordelen en benadeling van eventuele crediteuren voor lief te nemen door bepalingen met betrekking tot zekerheidsstelling op te nemen.

In verband met het voorgaande heeft de Raad aan [naam4] een berisping opgelegd.

2.11

Berend en Berta hebben Hadeve (ondertussen) diverse malen verzocht om te voldoen

aan haar verplichtingen tot betaling op grond van de overeenkomst van geldlening. Omdat

Hadeve daarmee in gebreke bleef, hebben Berend en Berta een kort geding tegen

Hadeve aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

Nadat Hadeve op basis van een ter zitting gemaakte afspraak slechts drie keer de

afgesproken rentetermijnen heeft betaald en daarna daarmee is gestopt,

heeft de voorzieningenrechter Hadeve op 1 november 2019 veroordeeld om bij wijze van

voorschot aan Berend en Berta een bedrag van € 5.000,- per maand te betalen.

2.12

Omdat Hadeve ook na dit vonnis in kort geding niets meer betaalde, hebben Berend en Berta bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, gevorderd Hadeve te veroordelen om aan Berend te betalen € 633.462,99 en aan Berta € 933.733,88, vermeerderd met rente. Tevens hebben zij gevorderd de overeenkomsten van opdracht van Hadeve/ [naam3] met [appellante1] van 9 maart 2016 en 4 juli 2017 en de koopovereenkomsten/ akten van levering met betrekking tot de in 2.8 en 2.9 hiervoor bedoelde percelen te vernietigen en voor recht te verklaren dat Hadeve en [appellanten] paulianeus, althans onrechtmatig hebben gehandeld. Ten slotte is gevorderd [appellanten] te veroordelen om medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van de prestaties als gevolg van de vernietiging, zodat Berend en Berta zich kunnen verhalen op de betreffende percelen, alles met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de proceskosten, inclusief beslagkosten en nakosten.

2.13

Bij vonnis van 1 september 2021 heeft de rechtbank de vorderingen grotendeels toegewezen en is Hadeve veroordeeld tot betaling aan Berend van € 633.462,99 en aan Berta van € 933.773,88, vermeerderd met contractuele rente. De koop en levering van de nader genoemde zeven percelen aan [appellante1] en de doorverkoop en -levering aan [appellante2] zijn vernietigd, waarbij voor recht is verklaard dat Hadeve en [appellanten] met die rechtshandelingen paulianeus hebben gehandeld. [appellanten] zijn veroordeeld om hun medewerking te verlenen aan het ongedaan maken van de prestaties als gevolg van de vernietiging, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Gedaagden zijn hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten.

2.14

Hadeve is op 5 oktober 2021 op eigen verzoek failliet verklaard, met benoeming van mr. G.W. Breukers tot curator (hierna: de curator). De curator heeft de vorderingen van Berend en Berta geplaatst op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen in het faillissement van Hadeve. De curator heeft zich jegens [appellanten] op het standpunt gesteld dat de overdracht van de percelen eveneens ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers paulianeus is en heeft op 11 oktober 2021 de verkoop van de zeven percelen door Hadeve aan [appellanten] vernietigd.

2.15

Op 19 november 2021 heeft de deurwaarder de vernietiging van de koop en levering aangezegd en op 30 november 2021 hebben [appellanten] de vernietiging betwist.

2.16

[appellanten] zijn in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank van 1 september 2021. De bedoeling hiervan is dat het vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Berend en Berta alsnog worden afgewezen, in ieder geval met betrekking tot [appellanten] , althans dat de hoofdelijke proceskostenveroordeling ten laste van [appellanten] wordt vernietigd en wordt gematigd tot een bedrag dat in verhouding staat tot de omvang van het geschil jegens [appellanten]

2.17

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij het hof hebben [appellanten] een door hen op 12 december 2022 met de curator gesloten vaststellingsovereenkomst in het geding gebracht. Hieruit volgt dat de genoemde zeven percelen met toestemming van de rechter-commissaris zijn verkocht voor € 550.000,- ex btw, dat [appellante2] van die verkoopopbrengst € 115.000,- heeft ontvangen en dat de resterende verkoopopbrengst in de boedel is gevloeid. [appellante1] heeft zich daarbij het recht voorbehouden om nog een vordering ter verificatie in het faillissement van Hadeve in te dienen voor onbetaalde werkzaamheden. Tevens is bepaald dat de vaststellingsovereenkomst ‘het hoger beroep van [appellante1] en [appellante2] tegen Berend en Berta onverlet laat’.

3 Het oordeel van het hof

4 De beslissing